NIEUW-NAMEN - De resten van de potten die begin dit jaar uit de Meester van der Heijdengroeve in Nieuw-Namen zijn gehaald, dateren uit 1500 tot 1000 voor Christus. Dat heeft een wetenschappelijk onderzoek van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in Amersfoort uitgewezen.
Hoewel sommigen aanvankelijk dachten dat de potten ouder waren, is de vondst volgens archeoloog H. Jongepier van het Provinciaal Archeologisch Centrum Zeeland (PACZ) toch uniek. "Het is de eerste keer dat er in Zeeland dergelijk aardewerk uit de bronstijd is gevonden." Beheerder Richard Bleijenberg van de groeve vond de scherven van de potten in maart bij werkzaamheden nabij de groeve. Jongepier maakte de rest los uit het zand in de wand van de groeve en nam de potten mee naar Middelburg waar ze werden schoongemaakt en geïmpregneerd. De scherven werden daarna aan elkaar geplakt. Eén pot bleef in Middelburg en de andere werd opgestuurd naar het ROB in Amersfoort. Daar hebben tien deskundigen zich gebogen over de pot. Unaniem kwamen zij tot de conclusie dat het hier ging om exemplaren uit het midden of late bronstijd. Wat er verder met de potten gaat gebeuren, is nog niet bekend. Jongepier: "Op dit moment staat de ene pot nog in Amersfoort en komt binnenkort terug naar Middelburg. Dan moet er nog een rapport gemaakt worden en gaan beide potten naar het depot van het PACZ." De gemeente Hulst heeft belangstelling getoond om een van de potten een plaatsje te geven in het Landshuis in de Steenstraat. Jongepier: "Het is natuurlijk altijd mogelijk dat een pot een tijdje uitgeleend wordt." Bleijenberg is verheugd over de conclusies van het onderzoek. "Dit is fantastisch nieuws. Met zulke vondsten krijgt de Meester van der Heijdengroeve steeds meer waarde."
Door Jean-Lou de Gucht