1995.02.26 Opnieuw leven in dode Schelde

Geschreven door RtC

Richard Bleijenberg: "k ben blij dat de stroom minder wordt vervuild"

DOEL / NIEUW-NAMEN - "'t Is veranderd. Drie jaar geleden zag ik voor de eerste keer in vele jaren een zeehond met een jongske op het Schaar van Waarden en enkele maanden geleden smaakte de paling die mijn jongens gevangen hadden aan Lievekenshoek terug zoals vroeger. Ik ben blij dat we die verbetering nog kunnen meemaken". Richard Bleijenberg uit het grensdorp Nieuw-Namen heeft opnieuw hoop dat de Schelde terug de levende rivier wordt zoals hij ze zich uit zijn jeugdjaren herinnerde. Richard is één van de vele ooggetuigen van de teloorgang van de Scheldestroom. Twintig jaar geleden keek hij naar een dode stroom, zo’n veertig jaar geleden maakte hij als vissersmaat het laatste decennium van de gezonde Schelde mee.

Richard leefde tientallen jaren op de stroom. Eerst als visser, daarna als bemanningslid van een sleper en baggerboot. Hoe zwaar het werk ook was, hij volgde de stroom van heel nabij. "Ik keek altijd naar die rivier en naar de oevers en zag het allemaal gebeuren". In 1952 zag hij de honderden zeehonden die zich op de  zandbankenen koesterden in de zon en maakte hij de ren van de vissers naar de mosselbanken van Saeftinghe mee. Richard Bleijenberg: "Ze kwamen van overal - zelfs van de Wadden - om nabij het Verdronken Land het mosselzaad op te vissen". De Schelde was in die tijd de kinderkamer van alle rivierleven. Vissersdorpen zoals Doel en Kieldrecht leefden van de opbrengst van de stroom. Maar de ommekeer kwam snel. De industrialisering van de Scheldeoevers en de vervuiling van het Scheldewater eisten hun tol. De dramatische gevolgen waren begin jaren zestig al zichtbaar. Richard: "De eersten die verdwenen waren de zeehonden". In de jaren vijftig waren ze nog een gegeerde prooi voor jagers die vooral oog hadden voor de pels. In 1960 trof je er nog zelden een zeehond aan.

Vervuiling

Nog eens tien jaar later voer Richard over een dode rivier. Zeker tussen Hemiksem en de bocht van Bath. Tussen 1973 en 1975 bereikte de vervuiling een hoogtepunt. "In de slechte jaren stonk gebakken vis naar mazout. Zelfs onze kat lustte een dergelijke hap niet. En het Scheldewater zag er grijs uit en soms leek het zelfs op een inktbad. Je kon met het Scheldewater je naam schrijven". De bemanning van baggerboten kreeg in die jaren één goede raad. Als iemand overboord ging, dan werd die onmiddellijk afgevoerd naar het ziekenhuis voor een grondig onderzoek. Toen het water nog proper was, volstonden een goede afdroogbeurt en een slok jenever. De vervuiling van de Schelde eiste niet enkel haar tol bij de vissen. Ook de Wase vissersdorpen verdwenen. De volhouders zochten steeds dichter bij de monding van de Schelde hun vissersgeluk, de andere verkochten hun boot en gingen net als Richard aan de slag op baggerschepen of bij aannemers. De band met de Schelde bleef maar ze zagen enkel hoe de mens de rivier volledig naar zijn hand probeerde te zetten. Baggerschepen diepten de Schelde uit. Eerst diende de baggerspecie om het polderland op te hogen. Vanaf de jaren tachtig dumpte de baggeraars de specie op de zandbanken en de schorren in en langs de rivier. De fabrieken langs de oevers trokken lozingspijpen in de Schelde. Anno 1995 kijken de inwoners van op de wal toe hoe het met de Schelde verder  vergaat. Zoals Richard. Hij vaart al lang niet meer. Hij verkent als gids het Verdronken Land van Saeftinghe. Maar als hij aan de oevers van de stroom is gekomen, kijkt hij met heimwee naar de zandbanken waarop vroeger de zeehonden lagen.

Richard Bleijenberg maakte de tijd nog mee, dat het op de zandbanken van de Schelde stikte van de zeehondjes. Onlangs zag hij er na vele jaren weer één. Foto PMS

Van onze verslaggever