Toon items op tag: Zeekleigebied

In Nieuw-Namen bevindt zich een unieke oude zandgroeve, waar een miljoenen jaren oude aardlaag uit het Plioceen boven de grond komt. De groeve is echter volgestort met huisvuil.

Professor Ozer uit Luik wijst aan waar de Meester van der Heijdengroeve te vinden is. Foto M. van de Weghe

Het is tegen twaalven op een warme maandagmorgen in Nieuw-Namen. Een Belgische touringcar draait langzaam het dorp binnen. Het gezelschap dat uitstapt staat onder leiding van de grijze professor André Ozer van de Universiteit van Luik. In zijn kielzog een bont gezelschap studenten uit een twintigtal landen van herkomst. Mozambique, Kenia, Mali, Canada, Spanje, Frankrijk, Zambia, Madagascar, noem het maar op. Ozer bracht ze naar de groeve van Nieuw-Namen. De Meester van der Heijdengroeve om precies te zijn. Dat lijkt gek, maar de Luikse professor weet maar al te goed waar hij mee bezig is. Hij is er niet voor de eerste keer. Want wat heel veel mensen die er met hun neus bovenop wonen niet weten, is dat deze oude zandafgraving een unieke plek in Europa is. Nergens anders kun je fossielen, schelpen en zand uit het Pleistoceen en het Plioceen, meer dan 2,5 miljoen jaar oud, gewoon in de bovengrond zien. De groeve is een meter of zes diep en je stapt er letterlijk in de prehistorie. Als je de verschillende aardlagen in de groeve bekijkt en je laat het je uitleggen door iemand die er verstand van heeft, zoals gids Richard Bleijenberg, kun je de miljoenen jaren oude historie lezen, aan de hand van de fossielen die er te vinden zijn. Eigenlijk is de groeve het oudste stukje strand van Zeeland. Dat die unieke plek is ontstaan heeft zeer waarschijnlijk gewoon met het toeval te maken. Heel Zeeland en de verre omtrek bestonden nog niet. Daar golfde ruim 2,5 miljoen jaar geleden een ondiepe zee. En toevallig ergens in de buurt waar nu Nieuw-Namen ligt verzamelden zich onder invloed van stroming en bij laag water de wind, wat schelpen. Dat schelpenbankje groeide aan; er bleef wat zand tussen de schelpen hangen en zo ontstond een bultje. Op die manier zijn veel later elders in Zeeland ook wel duinen ontstaan. Om een lang verhaal kort te maken; zo'n bult was in die tijd een aantrekkelijke ofwel veilige plek voor mensen om te vertoeven. Steentijd, bronstijd, alles kwam en ging. Het landschap veranderde in de loop van de honderdduizenden jaren, er ontstonden nederzettingen (we hebben het over een plek die ter plaatse bekend staat als de Kauter, een woord dat bebouwd land betekent) en nu is daar het dorp Nieuw-Namen. Deze geschiedenis is geen verzinsel. De groeve heeft hem met feiten gestaafd. Ze gaf fossiele schelpen prijs, evenals pijlpunten, bronzen potstukken en andere vondsten die de historie van de Kauter vertelden. Wie echter nu in het gebied direct bij de groeve gaat graven vindt iets heel anders. Inderdaad stukjes menselijk geschiedenis, maar niet bepaald iets om trots op te zijn. Aanvankelijk werd de bult gewaardeerd als een plek voor de zandwinning. En zand was er niet zo veel in het Zeeuwse zeekleigebied. Zo ontstond in de eerste helft van de vorige een diepe kuil waar niemand veel belang aan hechtte. Het zand werd gebruikt als verhardingsmateriaal voor wegen. Zo zijn dus tonnen aan fossielen links en rechts onder wegen in het Zeeuws-Vlaamse landschap gestort. De kuil werd vervolgens opgevuld met huisvuil, want Nieuw-Namen moest zijn rommel ergens kwijt. Omstreeks die tijd ontstond ook de belangstelling van wetenschappers voor het plekje. Zij wisten de aandacht te vestigen op de historische waarde van het gebied en in 1955 kocht Staatsbosbeheer de stortplaats. Ruim twintig jaar geleden is de groeve gerestaureerd en is de miljoenen jaren oude groevewand goed zichtbaar gemaakt. Maar het is slechts het topje van de figuurlijke ijsberg. Op die oude vuilnisbelt zit nog een belangrijk stuk prehistorische Zeeuwse geschiedenis in de grond. Nieuw-Namen zit op een unieke waardevolle archeologische schat, maar het lijkt wel alsof bijna niemand dat in de gaten heeft.

Door René Schrier