Toon items op tag: Scholekster

Ik heb mij verkleed in het Loze Vissertje en ben naar het Verdronken Land van Saeftinghe getrokken. Ik wist niet goed hoe ik mij dat gebied moest voorstellen. Van in mijn kinderjaren spookte het door mijn hoofd. Iedere keer als ik de naam Saeftinghe hoorde, kreeg ik visioenen voorgespiegeld uit en door de Boekjes van Abraham Hans. De allerheiligenstorm van het jaar 1570 verwoestte dit vruchtbare ingepolderde land aan de Schelde. De mensen verdronken, de koeien ook, de kerktorens stonden tot aan hun schouders in het water, maar hun klokken bleven leven. In woeste nachten kwam een geheimzinnig klokkenluider en deed ze kleppen, te horen tot ver over de kolkende vloed. Dan werden de mensen stil en vouwden hun handen tot gebed. Nog iets over dit mysterie meende ik, als loos vissertje gekleed, daar te ontdekken: oude grafstenen onder mijn voeten, de top van de toren, of stemmen van overledenen, terwijl ik schouderdiep waadde door romantisch ruisend riet. En ’s avonds de dwaallichtjes van verdoemde zielen over schorren en geulen te zien zweven…. ’t Was aanvankelijk een ontgoocheling toen ik van onder mijn zuidwester over het Verdronken Land van Saeftinghe uitkeek. Een groene vlakte strekte zich voor mij uit onder een egaal grijze hemel. Niets te zien van visioenen van Abraham Hans. En niets te horen. Zelfs geen ruisen van het ranke riet. Want er was geen riet. Ja, ik was ontgoocheld. Toen gingen wij op stap, drongen het gebied van schorren en geulen binnen. Met veertig waren wij. De eenenveertigste was onze gids, Richard, een gebaarde Hollander met veel Belgisch bloed versneden. Hij kent het gebied beter dan zijn portemonnee en de eieren van de vogels beter dan zijn eigen kinderen. Ge moet daar een gids hebben, alleen kunt ge verdwalen of verdrinken gelijk Saeftinghe. Romantisch ruisend riet had ik mij voorgesteld, maar waar moest ik door waden? Door verschrikkelijk realistisch slijk. Het gebied is doortrokken van diepe geulen. Om de dertig, vijftig of honderd meter moet men afdalen in een diepe geul. Tot onder de knie zinkt men in de modder. Nu en dan blijft er een modderwandelaar steken en die moet dan gered worden. Daarna stijgt men weer op de schorren. Daar ziet men de zilvermeeuw vliegen, de scholekster, de tureluur en de waaierstaart-rietzanger. Richard leerde ze ons allemaal kennen. Toen wij picknickten (ik zat tussen de eieren van een kokmeeuw en van een grauwe kiekendief) vertelde Richard over het Verdronken Land van Saeftinghe. Dat was wel goed. In mijn verbeelding hoorde ik even de klokken in de verte kleppen. Ook de tocht was erg interessant en avontuurlijk. Zo in en uit de geulen klauteren, laveren tussen vogeleieren en peeping-tom spelen met de verrekijker naar het liefdesleven van de vogels. Maar toch was ik nog altijd gedeeltelijk ontgoocheld. Ik had geen mysterie aangevoeld, verre van er één gezien of gehoord te hebben. Ik had de adem van de klokkenluider niet in mijn nek gevoeld. Maar toen de tocht volbracht was, gingen wij een cafeetje binnen in Emmahaven. Walter, onze bierspecialist, deed mij Oud Bruin drinken. Dat liep zoet naar binnen, en ik had zo’n dorst, en we zaten daar in zo’n aangenaam gezelschap - toen hoorde ik het woord ‘vloed’ uitspreken, en ‘de vloed komt’. Opeens zat ik toch nog in de greep van de legende, van mijn kinderjaren, en van Abraham Hans. Ik liep naar buiten roepend: “Hoort ge ze? Hoort ge ze?” Ik weet niet of Walter en Richard, Gilbert of Véronique ze gehoord hebben, maar ik wel, heel duidelijk zelfs. De klokken van ’t Verdronken Land van Saeftinghe. Heel in de verte en heel mysterieus, ontroerend en lichtjes beangstigend. ’t Verdronken Land leefde. ’t Was wondermooi. Ik was niet meer ontgoocheld. Ik ging naar binnen. “Geef er mij nog eentje” zei ik.

Door P. Pluym