Toon items op tag: Zeeharders

Geulen doorkruisen schollen van vettige grond

Ze drijven in de Westerschelde

De slingerrivier van Vlissingen naar Antwerpen

Zoutig smaken lucht

Schapen grazen er haast geruisloos

Gulzig trekkebekkend in ruw gras

Erboven duikelen vogels in een strakblauwe zomerlucht

Een zandbank in pré-historische tijden

Ver weg; de Brabantse Wal van Schelde-zand

Duizenden bunders ruigten, water, blubber

Het Verdronken Land van Saeftinghe is land.

Richard Bleijenberg is geen Belgen geen ‘Ollander’. Een grensbewoner, komend van een andere planeet. Saeftinghe? De natuurgids bewoont op de grens van België en Oost-Zeeuws Vlaanderen, in Nieuw-Namen aan het kerkpad, een kleine woning. Dicht bij de kerk en het kerkhof. Hij wil daar begraven worden. De plek is al zijn eigendom. “Ik weet precies waar ik wil liggen: bovenop oma. Alles moet geregeld zijn. Zo ben ik.” De woonkamer is het domein van zijn vrouw. Langs de wanden staan tientallen koperen olielampen netjes op een rijtje te glimmen. “Afkomstig uit kerken en Parijse hoerenkotten.” In zijn keuken staat opgegraven middeleeuws aardewerk. Meegenomen uit de slurpende blubber van Saeftinghe. Toen het nog mocht. In ’68 groef hij in een van de geulen het lijk van een man op. Vanonder een metersdikke laag zand. Een vader met zijn zoontje waren door opkomend tij verrast. Ze verdronken samen. Het jongetje was snel gevonden. De man kwam drie dagen later boven water. Saeftinghe is geen land voor amateurs. Met de natuur ga je niet zorgeloos om. Anders keert ze zich tegen je. Richard Bleijenberg is 56 jaar. Hij spendeert zijn tijd aan het rondleiden van mensen. “Dat geeft me veel voldoening.” Saeftinghe trekt jaarlijks tienduizend bezoekers. En de Stichting Het Zeeuwse Landschap weet Richard Bleijenberg als één van de natuurgidsen te vinden om die ‘job’ te doen. Er is geen betere dan de oud- visserman en baggeraar. En babbelaar. In ’85 werd hij door zijn Vlaamse baggerbaas aan de kant gezet. Sindsdien leeft hij van een uitkering en de natuur. De pers die hij als zijn grootste vriend omarmt, was indirect de aanleiding van zijn vertrek. Hij praatte met een verslaggever van ‘Knack’ over de Belgische vuiligheid in de Schelde. “Mijn baas zei: ge moet maar stoppen met dat gelul over de Schelde. Zolang wij jou betalen moet ge dat niet meer doen.” Richard bleef babbelen met journalisten. Toen hij op een winterse nacht een ijsbreker tegen de kade van Brussel zette, was de maat vol. Bleijenberg, de eerste kapitein met een radarbrevet voor de Schelde, vloog er na 28 jaar trouwe dienst uit. Wegens gebrek aan werk.

Mystiek land

Hij is er niet rouwig om hoewel die periode hem emotioneel diep roerde. “Ik voel me nu een vrij mens. Kan zeggen wat ik wil. De groene jongens hebben me aangenomen”. Saeftinghe, de mystiek van dat ongeboren land in het water, heeft zijn leven gestempeld. Als kleine jongen kwam hij er al. In de jaren vijftig herinnert hij zich grote groepen van honderden zeehonden die de Schelde bevolkten. Ze werden als ‘ondieren’ betiteld en dood gestoken: “Ze zagen er uit als een varken”.Het vissersvolkje waartoe hij behoorde, zag ze als schadelijk. Een zeehond kan elke dag wel tien kilo vis op. “Je kreeg er zelfs een premie voor, een priem zeggen wij hier, als je een voorpoot liet zien.” Nu zijn die beesten beschermd. En ze komen weer terug naar de Schelde. Vier volwassen beesten signaleerde hij in ’89 en ’90. Vorig jaar was er een jong bij. Dat is een belangrijk teken. “Dertig jaar waren we ze kwijt. Nu planten ze zich weer voort.” Hoe kan dat? Hij heeft er een voorzichtige verklaring voor: “Maak er geen evangelie van.”

Nieuwe vis

Kiezelwieren groeien op Saeftinghe. Hele kleine sporenplantjes die zuurstof in luchtbellen produceren in stilstaande waterplasjes. Ze zijn voer voor duizenden en nog eens duizenden zeeharders. “Da’s een nieuwe vis die hier vroeger nooit voorkwam en die leeft van plantaardig voedsel. Dat wier is de voedselbron van die zeeharders geworden.” En dan komt het: “Bij vloed kookt het water van al die rondspartelende harders die op en om Saeftinghe komen vreten van die kiezelwieren. En die harders zijn dan weer voedselbron voor zeehonden.” De cirkel is rond. Harders zijn knapen van vissen. Ze komen veel voor in vissers- en jachthavens. Daar vreten ze alles op wat overboord wordt gegooid. “Je krijgt ze niet of zeer zelden en dan bij toeval aan je vislijn. Ze zijn alleen te verschalken door de geulen af te sluiten. Door al hun graat zijn ze trouwens niet te eten.” Maar één ding is zeker: de natuur rondom Saeftinghe is bezig op te leven. De vervuiling neemt af. “In de jaren zeventig was het water bij Antwerpen net inkt, je kon er mee schrijven. Het is beter geworden.”

Dreiging

Maar nog lang niet wat het wezen moet. De industrie op de linkeroever van Antwerpen blijft opdringen. Het is ongelooflijk wat de Belgen daar met de wereld hebben gedaan. Platgelegd en opgespoten. Nieuwe havens en dokken reiken tot aan de grens. Glossy bedrijven als van Pioneer Europa (The art of entertainment) geven er de toon aan. Ze doorsnijden het lieflijke Waasland. Nieuw-Namen ligt aangekleefd tegen Kieldrecht. Daar waan je je opeens in een echtemensenwereld. Natuurlijker met een coulissenlandschap. Zo lang de Antwerpse sinjoren een uitgang voor de scheepvaart op de Schelde via het Baalhoekkanaal en Zeeuws-Vlaams gebied wensen, blijft er een bedreiging voor Saeftinghe. “Ik heb die fabrieken zien bouwen. Da’s een verschrikking. Ze hebben van binnen met glazuur beklede rioolbuizen aangelegd. Acht meter onder het laagwater niveau zodat ze altijd naar de Noordzee zouden kunnen lozen.” Een geluk bij een ongeluk: het gif dat er uit komt verbindt zich met slib. En dat zet zich voornamelijk af in holten. Niet op zand. Saeftinghe is dus geen Antwerpse gifbelt geworden. Nee, het dodelijk goedje zit in de toegangsgeulen naar de sluizen en dokken. De Boudewijn- en Kallosluis stikken er van. Met onderwaterbakken wordt het slib - chemisch afval - zo goed en zo kwaad als dat gaat van de bodems ‘weggespoeld.’ Richard ziet nog meer dingen die beter worden. “We speelden als kinderen met strandgapers. Grote mossels die je als waterpistool kon gebruiken. Als je er op drukte, spoot er een waterstraal uit. We noemden ze zeikers in echt Nederlands. Ze verdwenen. Een Brusselse professor haalde laatst boormossels uit de turf van Saeftinghe. Ook die waren we dertig jaar kwijt. Het koelwater van de kerncentrale Doel is biologisch dood maar niet vies. ’s Winters worden er in dat opgewarmde water massa’s paling gevangen. Ik heb gisteren weer vis gegeten van Saeftinghe. Ze smaakt goed. In de jaren zeventig was ze niet te eten. Zelfs de kat wilde ze niet.” De ex- visserman en baggeraar voorspelt een  nieuwe toekomst. “Als oud-smokkelaar hoor ik nu bij de groenen,” koestert hij zijn nieuwe rang. Op het radareiland middenin de Schelde heeft Green Peace een sculptuur mogen aanbrengen. Met daarop de tekst: ‘De pijpen weg, de zeehonden terug’. En ziet, ze komen. “Toch een lichtje aan het eind van de donkere tunnel.”

Een grillig landschap van metersdiepe geulen en kreken. Slurpende bagger. Saeftinghe heeft ook nog altijd een functie als boezemgebied voor Antwerpen om er water op te bergen bij springvloeden. Om die reden is de landschol nooit meer ingepolderd.

Ark van Noach

Saeftinghe raakt platgetreden door tienduizend bezoekers. Dagjesmensen en wetenschappers. Op een bijeenkomst van Zeeuws Landschap, beheerder van Saeftinghe, opperde Richard Bleijenberg het plan voor een infoschip. Om zo de mensen uit het kwetsbare gebied te houden en ze er toch een blik op te gunnen.

De beste plek is de vroeger Emmahaven. “Dat zou eigenlijk een Ark van Noach kunnen zijn,“ zegt hij. Of de Ark van Bleijenberg? “Ze lachten me eerst uit, maar nu lijkt het er toch van te komen,” vertelt hij verblijd. Alleen de prijs valt een beetje tegen. Niet ’voor oudijzertarief’ maar voor een ton kan er een pront schip komen ‘dat nog goed is en dus niet snel zal wegroesten’. Op het schip moeten infostands komen, een kleine expositie over flora en fauna van Saeftinghe met inbegrip van opgedolven aardewerk, herinnerend aan vroegere bewoners die in hutjes leefden. Als de hele provincie Zeeland erachter gaat staan, moet dat plan lukken. Richard heeft nog één grote wens. “Ik heb heel mijn leven gevaren: ik wil dat schip ophalen en het er met hoog tij naar toe varen. Nee, voor een gidsfunctie op het schip ben ik te oud; die ambieer ik niet meer en dat zou ook op eigenbelang lijken. Met die laatste vaartocht wil ik afscheid nemen van mijn schippersleven.” Zout water welt in mijn ogen.

Richard Bleijenberg ziet het Schelde-milieu langzaam verbeteren èn veranderen. “Het is net alsof het water kookt als het opkomt. Dat komt door grote groepen zeeharders die voedsel komen zoeken. Vroeger kwamen die niet voor in de Schelde.”

‘Baalhoekkanaal gaat niet door’

Het Baalhoekkanaal, de grootste bedreiging voor het Verdronken Land van Saeftinghe, gaat met een uitgang op de Schelde via Zeeuws-Vlaams gebied niet door. Dat is de stellige mening van Richard Bleijenberg. "De Belgen zullen met zo’n uitgang niet afhankelijk willen zijn van Nederland," zegt hij.

Hun voorkeur is nu veeleer om tussen de kerncentrale Doel en de grens een nieuwe opening naar de Schelde te maken. Dat plan ligt op de tekentafel,  is de informatie van de Nieuw-Naamse natuurgids. "Als dat gebeurd, is Saeftinghe gered." De Antwerpse havens zijn op dit moment slechts toegankelijk via de Berendrecht- en Zandvlietsluis. Het Waaslanddok op de linkeroever zou rechtstreeks vanaf de Schelde bereikbaar worden als de derde sluis, de Oude Doel Sluis wordt aangelegd. Gaat het Baalhoekkanaal via Zeeuws-Vlaanderen niet door en wordt de Westerschelde verder uitgediept, dan kan Saeftinghe zich ontwikkelen tot een nieuw natuurgebied. Het zal door aanlanding van zand hoger te komen liggen. "Je krijgt klifvorming. En op den duur een andere vegetatie. Dat is niet erg. Bepaalde gedeelten blijven zout." Over België zegt hij: "Dat land wordt geregeerd door de banken. Die zijn eigenaar van de grote baggerbedrijven. Snapt ge, het zijn niet de politiekers die de beslissingen nemen, maar de banken.  België is verkocht." Dat is ook de reden waarom onze zuiderburen de industrie in de Antwerpse haven zo monstrueus laten uitdijen. Er is geen weg terug.

Door Joan Kloosterman