Toon items op tag: Smokkelen

ILLEGALE PRAKTIJKEN IN VERDRONKEN LAND VAN SAEFTINGHE

Smokkelen was zijn lust en zijn leven. Vroeger tenminste. Nu vertelt hij er alleen nog maar over, als gids in het Verdronken Land van Saeftinghe. Twee redacteuren van Fragment reisden naar het uiterste puntje van Zeeuws-Vlaanderen en ontmoetten Richard Bleijenberg.

“Jullie hebben toch wel laarzen meegenomen?” Hij taxeert onze schoenen, terwijl hij zelfeen paar stevige rubberen exemplaren aan zijn voeten schuift. Ons mompelend ‘nee’ beantwoordt hij met een lach. “Het wordt een stevige tocht, maar jullie moeten het natuurlijk zelf weten.” Richard Bleijenberg (56) is al ruim twintig jaar gids in ‘Het Verdronken Land van Saeftinghe’ in Zeeuws-Vlaanderen. Het Land dat hij op zijn tiende leerde kennen en dat na de oorlog fungeerde als smokkelroute voor onder meer boter, vee en tabak. Bleijenberg was een smokkelaar. De door hem begeleide wandelingen door Saeftinghe gaan langs oude sluiproutes en voorziet hij van verhalen over vroeger. Saeftinghe was voor 1570 polderland. Tijdens de Allerheiligenvloed van dat jaar liep het grootste gedeelte onder water. Vier jaar later sloeg de zee toe en breidde het ‘Verdronken Land’ zich zo verder uit richting België. In 1907 werd de laatste polder van het land bedijkt, waardoor een stuk van zo’n 4000 hectare overbleef, bestaande uit schorren (=begroeiing) en slikken. Tweemaal in de 25 uur lopen de drie hoofdgeulen van het land helemaal vol, terwijl bij springtij en storm ook de begroeiing onder water loopt. Het water stijgt dan met meer dan een meter per uur. Iets waar smokkelaars vroeger goed rekening mee moesten houden.

Groen laken

Op de dijk nabij Nieuw-Namen hebben we een prachtig overzicht van her land. Vlak, uitgestrekt, met in de verte zicht op de Schelde. Bleijenberg, gehuld in een groene legerjas en met zijn lange baard net een boswachter, wijst naar de horizon. Een schip vaart over de Schelde. “Saeftinghe is als een groen laken. Heel vlak en uitgestrekt. Dat schip daar, dat heeft geen masten meer als vroeger, maar is een vormloze ijzeren bak. Net een strijkijzer. En daar verderop, die zandzuigers, dat vind ik net stofzuigers. Eigenlijk is Saeftinghe een klein huishouden.” We kennen de geschiedenis van het land, zien het voor ons liggen. Toch zoemt de gedachte ‘is dit het nu’ door ons hoofd. Die verdwijnt echter volledig als we een paar minuten hebben gelopen. Het op het eerste gezicht saaie platte land kent een diversiteit aan planten en dieren en van alleen maar gras is al helemaal geen sprake. Als mini-riviertjes slingeren kleine modderige geulen zich door drassige land, waardoor het nut van een paar kaplaarzen tot ons door begint te dringen. Het wordt een tocht van springen en klimmen, van jonge zilvermeeuwen en konijnen en van eetbare planten. Maar vooral: veel verhalen. “Vroeger was er een zandpad op de dijk. We waren toen met zo’n vijftien smokkelaars en omdat we blootvoets liepen, hoefden we alleen maar naar het zand te kijken om te zien wie er op pad was. Piet had een grote stap, Sjefke liep met een stok en Louike had een lange grote teen. Hij lacht. “In Saeftinghe weet je waarom je tenen hebt.” Bleijenberg smokkelde zelf vooral boter, maar kreeg pas echt met het vak te maken toen hij zijn huidige vrouw, telg van de De Maayer-familie, leerde kennen. Haar broers waren fervent smokkelaars. Vooral Florence de Maayer verscheepte heel wat waar van België naar Nederland en omgekeerd. Bleijenberg is trots op dat verleden en kent alle verhalen uit zijn hoofd. “Die verhalen zijn in boekvorm verschenen”, zegt hij trots. Hij laat het ons zien, vlak voor we aan de wandeling beginnen. We gaan terug naar de veertiger jaren, net na de oorlog.

“Het was erg licht, volle maan, en er lag sneeuw. Erg slim om onder zulke omstandigheden op pad te gaan was het niet, maar ja… We vertrokken om twaalf uur, met z’n vieren. We liepen zo’n vijfenzeventig meter uit elkaar. Na een goede kilometer moesten we bij de boerderij van Alfons Voet de dijk oversteken. Ik kwam als eerste aan en nam de tijd om alles eens rustig te bekijken. Omdat  er niets verdachts te zien was, gaf ik het signaal alles veilig en de andere drie staken ook de dijk over. Opeens sprongen er drie douaniers uit de sloot. Ze gaven het bevel te stoppen en zo niet, dan zouden ze schieten. Alleman gooide zijn pak boter weg en sloeg op de vlucht, iedereen een andere kant op. Ik liep terug richting Nederland met een douanier achter me aan. Die maar roepen: Halt of ik schiet!” Daar trok ik me evenwel niks van aan en ik in volle ‘sjars’ verder, recht in de prikkeldraad! Daar heb ik nu nog altijd een litteken van over. Zo’n vierhonderd meter heeft die douaneman me nagezeten, toen gaf hij het op. Van de vier pakken boter vonden we de andere dag nog een pak terug, dat lag in de sloot, net met een puntje boven water. De rest was voor de overheid.” (uit; Gedreven door armoe’, door Ran de Maayer).

Bleijenberg zit vol met verhalen over smokkelen. Hij vindt dat mensen moeten weten wat er vroeger in Saeftinghe gebeurde. “Boter, tabak, thee, eieren, dat kon je op de fiets vervoeren. Het was altijd uitkijken voor de douane. Als ze je pakten, was je je waar én je fiets kwijt. Daarbij kreeg je een waarschuwing of een boete. In het ergste geval ging je een paar weken de gevangenis in, zoals Florence ook eens is overkomen.”

Kalveren in een mand

Vee smokkelen was een vak apart. “Kalveren kun je niet in een zak op je rug meenemen of achterop je fiets zetten. Dat gebeurde dus vaak met personenauto’s. Het probleem was natuurlijk dat je op de een of andere manier langs de douane moest zien te komen. Een vriend van me had er wat op gevonden. Hij zette kalveren in een mand achterin, zodat ze  precies met hun kop boven het raam uitstaken. Op die kop ging dan een hoed, zodat het net mensen leken. Daar is de douane toch mooi ingetrapt.” We zien lichtflitsen boven de dijk en horen in de verte rommelen. Eén blik naar boven is voor Bleijenberg genoeg: “Die bui blijft daar wel hangen.” Met lange passen loopt hij voor ons uit. Dan stopt hij weer even plotseling en bukt om een plantje te plukken. Voordat we het weten, steekt hij het sprieterige dingetje in zijn mond en biedt hij er ons er ook een aan. Na even aarzelen proeven we een stukje. “Goed kauwen”, zegt onze gids. Het proeft een beetje zout, maar echt vies is het eigenlijk niet. “Dit”, zegt Bleijenberg terwijl hij een nieuw exemplaar uit de grond trekt, “dit is zeekraal. Een delicatesse in de dure Belgische restaurants. Achthonderd franc betaal je voor een kilo. En hier kun je het zo plukken!” Bleijenberg is zichtbaar trots op ‘zijn Land’. De gasten die hij rondleidt moeten alles zien, alles horen, alles proeven. Zodat ze na de wandeling overtuigd zijn van de rijkdom van Saeftinghe. En een beetje begrijpen waarom hij zijn hart en ziel aan het land heeft gegeven.

Nieuwe smokkelaars

We willen opstaan en verder wandelen, maar struikelen bijna over een in het gras verscholen nest. Twee piepkleine donzige zilvermeeuwtjes kijken ons vanaf de grond aan. Moedermeeuw vliegt zonder enige twijfel boven ons: de kreten van de grote zwerm vogels boven ons zijn niet van de lucht. Bleijenberg pakt een van de diertjes voorzichtig uit het nest. “Een dag oud”, zegt hij. “Gisteren lagen hier nog eieren. Weer een paar nieuwe smokkelaars.” We kijken hem vragend aan. “Dit zijn de nieuwe smokkelaars van Saeftinghe. Zilvermeeuwen halen hun voedsel vaak in België, uit containers met afgedankt vlees bij slachterijen. Ze vliegen volgevreten terug, geven hun jongen te eten en braken de rest uit. En wat we dan terug vinden is dit.” Hij vist een klein kunststoffen plaatje uit zijn zak. “Deze plaatjes liggen over heel Saeftinghe verspreid. Gewoon uitgebraakt met resten vlees. Ik weet bijna zeker dat de meeuwen op deze manier ook ziektes verspreiden. Zoals bijvoorbeeld varkenspest. Zodra dat wordt gesignaleerd, sluit men dat gebied hermetisch af. Maar waar vrachtwagens met varkens worden tegengehouden, vliegt de zilvermeeuw door. Een beetje van het zieke vlees eten, terugvliegen, uitbraken, en het is al gebeurd. Je zou de verzameling plaatjes eens moeten zien die ik thuis heb liggen. Honderden.” Hij legt de jonge meeuw terug in zijn nest. Bleijenberg kent de weg, weet als geen ander precies de juiste punten te vinden om over geulen heen te springen en drassige stukken te ontwijken. Wij zijn daar wat minder van op de hoogte en dat blijkt keer op keer. Halverwege de wandeling overwint hij de geulen nog even kwiek en simpel, terwijl wij halsbrekende toeren uithalen om niet ten onder te gaan in de modder. En hij blijft vertellen. Over hoe hij vroeger illegaal viste met een harpoen. Over de zeehonden die tot middenjaren vijftig de zandbanken van de Schelde bemanden. En over zijn jeugd, zijn kennismaking met het Land. Twee uur wandelen zijn te kort, te kort voor alle indrukken, te kort om alles over het Land te kunnen vertellen.

Bolletjes met een steeltje

“Op mijn tiende kwam ik hier voor het eerst. Het was vlak na de oorlog en het hele land was bezaaid met wrakken van vliegtuigen en andere oorlogstuig. Ik vond het altijd heel spannend om daar rond te snuffelen. Zo vond ik op een van mijn ontdekkingstochten een kist en me niet realiserend dat het wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn, maakte ik die gewoon open. Allemaal ronde bolletjes zaten daarin, met bovenop een steeltje. Aardappelstampers! Dacht ik en om mijn moeder te verrassen, nam ik er een paar mee naar huis. Die schrok zich kapot toen ik ze trots overhandigde: het bleken Duitse handgranaten te zijn.” Hij grijnst van oor tot oor.

“Onbekend maakt onbemind”

“Maar Saeftinghe kan ook heel verraderlijk zijn. Ik weet het nog precies: het was 10 juli 1968. Er stond een noordwesterstorm, maar dat weerhield mijn buurman er niet van om samen met zijn zoontje te gaan vissen. Nu kan Saeftinghe met slecht weer heel snel onder water lopen, en dat gebeurde juist die dag. Het Land stond binnen de kortste keren blank. De twee hebben de dijk niet gehaald. Het zoontje hebben we dezelfde dag nog teruggevonden, zijn vader na drie dagen zoeken onder meer dan een meter zand. Dat kan ook gebeuren in Saeftinghe.” Het is even stil en zijn ogen turen naar de horizon. Zijn slechtste dag in Saeftinghe, noemt hij die tiende juli. Zoals hij ook een beste dag heeft, toen hij met zijn vrouw en kinderen aan de kant van de Schelde picknickte. Alsof ze alleen op de wereld waren.

Richard Bleijenberg

Bleijenberg begon als vijftienjarige jongen als visser en kwam uiteindelijk terecht bij een baggerbedrijf. Daarnaast werd hij in 1970 gids in Saeftinghe en maakte hij zich in het openbaar meer en meer druk over milieuzaken en de vervuiling van de Schelde. “Ik heb in die tijd een paar keer met mensen van Greenpeace samengewerkt. Met hun schip de Schelde op, in het bijzijn van een televisieploeg voor een reportage. De uitspraken die daar werden gedaan, kon het baggerbedrijf, als branche de grote vervuiler van de rivier, niet echt waarderen. In 1985 moest ik op het matje komen en werd ik na twintig jaar trouwe dienst ontslagen. Een harde klap, kan ik wel zeggen. Des te trotser was ik toen ik in 1989 van de burgemeester en wethouders de cultuurprijs kreeg voor geologische diensten in het Land van Saeftinghe. Was het toch niet voor niets geweest.” Samen met drie andere gidsen leidt Bleijenberg per jaar zo’n tienduizend mensen rond. “Heel veel natuurliefhebbers roepen dat het Land moet worden afgesloten voor recreatieve doeleinden, maar daar ben ik het niet mee eens. Onbekend maakt onbemind, zeg ik altijd; als we hier geen mensen meer binnen laten, dan kent straks niemand dit meer. Dat zou de dood van Saeftinghe betekenen.” De dijk is weer in zicht, de wandeling ten einde. Bleijenberg spoelt zijn laarzen af in een van de vele geulen. Wij kijken nog even naar onze schoenen. Die zijn rijp voor de prullenbak.

Door Daniëlle Kool