Toon items op tag: Vogelkijkhut
Na een leven op de Schelde en Saeftinghe, wil ik graag een reactie geven op de brief van dhr. de Cloet. Begonnen als vissersknecht bij Staf Praet. Hij leerde mij werken en bracht mij in de rivier die mij de kennis van eb en vloed bijbracht. Het leven op het water was begonnen. In 1956 begon ik het schor te ontdekken. Mijn leraar was mijn schoonvader de Sterke. 1958 Een ontmoeting in het Oostelijk deel van het schor. Het was met een jacht op de eenden en het was mooi weer. Wij werden daar weggejaagd door de toenmalige conciërge van het jachthuis. Mijn schoonvader zei nog "manneke, ik mag hier komen van dhr. De Cloet." En inderdaad ik ontmoette daar de grootvader van de huidige eigenaar van de Hedwig. Zeer eigenaardig waren toen de woorden, "Dag Sterke, hoe is ’t met U. Er volgde nog een gesprek over het vissen. Daarop zei de Cloet “je mag dat putje daar nog uitbotten en dan ga je maar weg." Zij kenden elkaar en gaven elkaar een hand. Deze ontmoeting zal ik nooit vergeten. Het vissen of botsteken was een bezigheid die verschillende families deden. Een prachtige tijd. Het vertrekpunt naar de visputten was bij boer Zagers, waar nu de vogelkijkhut is. De tijden gaan verder, ook op de Schelde veranderd er veel. In 1959 ga ik op de bagger werken. Er wordt gebaggerd bij Bath en ook gestort voor de Paal, dus vlak voor het schor. Veel zand wordt opgestuwd in de schorren. Ook chemische fabrieken vestigden zich op de oever van de Schelde. Het eerste bedrijf vestigde zich op de pijp toebak. Een plekwaar een dijkbreuk was, kwam Polisor zich vestigen. Zij waren niet aangesloten op de riolering, maar het werd zo ingericht dat de rotzooi onder het laagwater terecht kwam. Vele andere bedrijven volgden. En in 1974 kon men het water uit de rivier je naam schrijven. De protesten bleven niet uit. Ook vele vissoorten verdwenen en de vis was niet meer eetbaar. Nooit heb ik gezwegen wat ik gezien had, maar bij het nemen van stalen van het afvalwater, ging ik te ver en daar heb ik een grote tol voor betaald. De groene maffia kwam opdagen en de botstekers werden verjaagd. Ook de jagers moeten hun geweer aan de haak hangen in Saeftinghe. Saeftinghe moet een rustgebied worden en de mens krijgt de schuld. Zelfs de schaapsherders (3 generaties lang) samen met jagers in harmonie moeten het schor verlaten. De prachtige Noord vergroeid in een ondoordringbare wildernis. In 1975 wordt mij gevraagd om te gidsen in het schor. De enige reden was bij de groenen die krijgen we er toch niet uit. Van een stroper een gids maken kon toen nog. Duizenden mensen heb ik toen rondgeleid, waaronder in 1984 de directeur van de baggerwerken, dhr. Van der Cruysen. Toen we bij de nog oude haven van Emmapolder waren, zei hij nog "Hier is de school van mijn Kieldrechtse kapiteins." Hij noemde ze nog met hun naam. Aan dhr. de Cloet zou ik willen zeggen "Saeftinghe waar je grootvader zo van de natuur heeft genoten samen met zijn vrienden is geen Saeftinghe meer. Het is opgehoogd met zand en slib. De kinderkamer voor de vis is er niet meer. Soms ga ik nog wel eens naar een oude bijna vergane jachthut en denk nog wel eens aan die tijd van je grootvader, die ooit zo vriendelijk was. Het enige wat nog overblijft is de Hedwig, een polder die is ingericht voor de jacht, maar dit zal ook zijn oordeel krijgen. De rivier de Schelde zit nu eenmaal in een te kleine jas en moet ruimte krijgen. Maar als ze dat gaan beschouwen als een nieuw Saeftinghe met prikkeldraad en verbodborden dan gaat het weer mis. Laat ons rekening houden met een verre geschiedenis en die in herinnering houden. En iedere belastingbetaler heeft het recht om die nieuwe natuur te bewonderen en ervan te genieten."
Oud Saeftinghe gids, Richard Bleijenberg