Toon items op tag: Ongeneeslijke ziekte

Lezers uit Nieuw-Namen schrijven…

Sinds vele jaren volg ik het kerkgebeuren. Grote herstellingswerken zij er gebeurd; het kan ook niet anders of dit heeft veel geld gekost. Dit alles voor het behoud van het kerkgebouw. Maar toch ziet men zaken die niet meer gebruikt worden; ik denk hierbij aan die mooie doopvont, de biechtstoelen, de communiebank, altaars en de preekstoel. Het staat er allemaal nog. Ik ga nu even over mijn jeugd iets schrijven: het patronaat, het hof, de padvinders, het wekelijks biechten. Het is er allemaal niet meer. Het is niet meer zo nodig. Toch heb ik aan alles deelgenomen, in een gezin waar dat intens werd beleefd. Het lezen van de rozenkrans ’s avonds in de huiskamer; bijna alles draaide rond het kerkgebeuren. Zo ben ik dan opgevoed. Als 14-jarige was het werken in Nieuw-Namen. Ik was 16 jaar knechtje op een vissersboot bij Gustaaf Praet op de K.Z. Deze man leerde mij echt werken, al ging dit gepaard met vloeken. Maar dat bracht de stiel met zich mee. Trouwens Staf begon elke dag met het maken van een kruisteken. Ruwe mensen zal je zeggen, maar toch diep gelovig, en die waren er op de Kauter veel! Toch veranderde er voor mij heel wat met het werk bij een Belgische baas. En al zeer vlug koos ik voor de Belgische kant. Kameraden, waarmee je voor de eerste keer ging biljarten, veelal bij Elvierke Lambin. Elvierke leerde ons een keu te hanteren. Dit café is enkele jaren terug afgebrand; een mooi huis staat nu op deze plaats. Het was ook de tijd van de twee cinema’s: de Metro op de Kauter en cinema Rubens in het dorp van Kieldrecht. Het was ook daar waar we voor het eerst kennis maakten met de meisjes. Ik werd meer en meer Kieldrechtenaar dan iemand van de Hollandse Kauter. Enkele jaren later zijn we gaan varen. Meestal op sleepboten: de binnenvaart, Hansweert, Dordrecht, Antwerpen en Rotterdam. En het werd in elke stad een andere “schat”. 

In 1958 zag ik een flinke meid, op het eerste gezicht een volwassen vrouw. Ik stelde me voor en vroeg om mee naar de cinema te gaan. Maar neen, voor zo’n Hollander voelde ze niet veel. Maar als je iets ziet en het niet kunt krijgen, dan doe je er nog meer moeite voor. Ik kwam te weten dat ze nog broers had. Het heeft mij vele pinten gekost om in de genade te vallen van al die mannen, maar van ’t één kwam ’t ander. Haar vader was een zeer gekend figuur in Kieldrecht en ook die moest ik aan mij kant zien te krijgen. ’s Zondagsnamiddag kon ik hem vinden bij Fiel Keul. De man heette Gustaaf de Maayer, maar hij had liever dat men Sterke tegen hem zei. Ik dacht dus eerst aan de boom en de takken zouden wel vanzelf komen en zo is het ook gegaan. De Sterke werd uiteindelijk mijn schoonvader. In februari 1959 was het zover, we gingen trouwen en het was te moeten! Dit trouwen moest ik vragen aan de Sterke, maar hij had zo al iets al vernomen. En toen ik de belangrijkste vraag stelde, keek hij heel streng en recht in mijn gezicht en zei: "Gij kunt trouwen, maar zij zal haar moeder blijven verzorgen!" Mijn schoonmoeder lag al enkele jaren te bed met een ongeneeslijke ziekte en zij werd met veel liefde door de Sterke en zijn dochter verzorgd, iets wat voor die tijd heel bijzonder was. Een meisje van 19 jaar die het hele huishouden runde, met een zieke moeder en nog 5 werkende broers. De Sterke, waar ik goed mee overweg kon, nam mij zeer veel mee naar het schor. Deze man leerde mij Saeftinghe kennen en vele dagen heb ik samen met hem gevist. En toch begreep ik iets niet: uit de vele gesprekken was mij iets onduidelijk. Waarom was hij zo tegen pastoors en alles wat katholiek was? Dat wilde ik toch te weten komen. We praatten veel over vroegen tijden, toen hij als kleine jongen de schorren in moest om wat bij te verdienen, garnalen vangen en die uit gaan leuren. Maar dat was altijd zomerwerk. Samen met zijn broer Fideel viste hij de hele zomer om wat bij te verdienen, want het was toen een zeer arme tijd. De Sterke kwam uit een gezin van 11 kinderen en hij wist me te vertellen dat ze toen soms echt honger leden, zeker in de winter. Een zus van hem was zelfs al vroeg gestorven, dit vertelde hij met een zeer verdrietige stem. Een zekere onrechtvaardigheid hoorde ik in zijn verhaal, toen hij vertelde dat hij als 13 jarige jongen, samen met zijn broer Fideel, om brood ging. Dit was tijdens de armenbedeling in het portaal van de kerk. Zij moesten dit wel doen, want thuis was er een zieke moeder, een werkloze vader en een pas gestorven zus. Vroeger werd er tijdens zeer koude winters, wanneer er nood was, brood bedeeld. Verkleumd van de kou vroegen de Sterke en zijn broer brood aan de pastoor met de lange haren. Maar de toenmalige parochieherder wees hen de deur. Zonder brood moesten de jongens huiswaarts. Het antwoord van de priester was: "Hallo Mars, ik heb jullie deze zomer niet in de kerk gezien." U begrijpt nu ook waarom mijn schoonvader toen zo tegen die pastoor was. Het onrecht werd toen in zijn ziel geschreven. Het verhaal doet denken aan het boek over priester Daens. Ik ben zelf ook op aandringen van de Sterke in de Sociale Bond gegaan en op 1 mei droeg ik ook een rode bloem op mijn vest. Onrecht was iets dat hij niet kon verkroppen. Later is mijn schoonvader bij mij komen wonen, hier in het Kerkpad, dit was nodig voor zijn verzorging. Hij is hier ook gestorven. Zuster Colsen, de toenmalige wijkzuster, vroeg hem nog: "Sterke, wilt ge u niet laten voorzien van de laatste sacramenten?" Dit is ook gebeurd door de toenmalige priester Magnus. En toen de pastoor klaar was vroeg mijn vrouw nog heel nieuwsgierig: "Mijnheer pastoor, hoe is het gegaan?" De pastoor antwoordde: "Juliana, jullie vader gaat recht naar den hemel. Hij is een prachtmens."

December 1998 - Ik wil niet in herhaling vallen over wat er rond onze kerk is gebeurd sinds 1 april 1997. De toegang tot de kerk, om vrijwilligerswerk uit te voeren, werd ons door het vroeger kerkbestuur geweigerd. Bijna 2 jaar keken we machteloos toe hoe de kerk opzettelijk werd verwaarloosd. Wat werd er door deze parochieleiders doorgesluisd naar de bisschop? Ik ben zeker geen heilige, maar ook geen bandiet of leugenaar, maar deze parochieleiders gebruikten deze woorden: “Jij komt de kerk niet binnen, wij zien je ’s zondags nooit in de mis!”  waar waren ze mee bezig?

Uit het hart geschreven,

Richard Bleijenberg

N.v.d.r.: Deze tekst werd ons toegezonden, één week vóór het nieuwe kerkbestuur werd aangesteld.