Print deze pagina

2004 Gemeente Hulst Nederland: De Meester van der Heijdengroeve

Geschreven door RtC

De groeve van Nieuw-Namen is het resultaat van jarenlang zand afgraven op wat in de 17e eeuw "Den Hoogen Kouter" werd genoemd, een bult zand die ruim vijf meter boven het omringende platteland uitstak en tot op een diepte van 25 meter beneden het maaiveld reikte. Zand dat ongeveer 3 miljoen jaar was. De waarde van het gebied als archeologisch terrein werd echter pas een dikke 100 jaar geleden erkend. In 1858 werd het gebied door Adriaan Walraven, arts en amateur- botanicus, beschreven als "een streek geheel afwijkende in zamenstelling van haren bodem en tot eene vroegere vorming behoorende dan de gronden die ons als Zeeuwen tot woonplaats verstrekken". In het gebied waren toen al diverse vondsten gedaan, onder meer gebruiksvoorwerpen van mensen uit de prehistorie en fossielen van dieren die hier een miljoen jaar geleden in een zee moeten hebben geleefd. Minder lang geleden, 10.000 jaar vóór Christus, liepen er mammoeten, wolharige neushoorns, beren en hyena’s rond. Hun botten werden aangetroffen in het zand van de Kauter. Dat er toen ook mensen hebben geleefd in dit gebied, is ondertussen ook bewezen. Hoogtepunten waren de vondst van een ruim 10.000 jaar oude vuurstenen pijlpunt en de vondst van een 3.000 jaar oude pot, uniek voor Zeeuws-Vlaanderen. Bewijzen dat er op de Kauter duizenden jaren geleden al mensen rondtrokken. Dat ze er ook permanent woonden kon tot op heden nog niet worden bewezen. Ondanks al deze kennis werd het gebied van de zandheuvel tot in de 20e eeuw niet alleen gebruikt als zandwinplaats, maar ook als stortplaats voor vuilnis. In de gegraven kuilen verdwenen grote hoeveelheden bouw-, sloop- en voornamelijk huishoudelijk afval uit de wijde omgeving. In rapporten van deskundigen was sprake van het afgraven van de hoge Kauter, totdat er een zeer vlakke heuvel overbleef die was bezaaid met ondiepe kuilen. Een iets oostelijker gelegen hoogte, "welke volgens zeggen voorheen minstens tot 10 meter boven zeeniveau reikte", was zelfs geheel tot op het niveau van het omringende maaiveld afgegraven. Het terrein werd later geëgaliseerd en beplant en uiteindelijk bleef slechts één kuil open, de huidige groeve. Nadat in 1963 Staatsbosheer het hele terrein in beheer kreeg, was het gedaan met de stortingen en afgravingen. Veel meer gebeurde er echter niet en nog in de '70 jaren van de vorige eeuw werd de groeve als volgt beschreven in dagblad De Stem: "Overwoekerd door struikgewas en weggestopt achter een slordige prikkeldraadversperring". Allesbehalve toegankelijk dus. De kentering kwam in 1983. In dat jaar werd door vrijwilligers van Vogelwacht De Steltkluut en Oudheidkundige Kring De Vier Ambachten de groeve opgeschoond, zodat op 16 april 1983 de officiële opening kon plaatsvinden en de groeve kon worden opengesteld voor het publiek. Onverbrekelijk verbonden met de groeve zijn de namen van 'Meester' Cyriel van der Heijden (1898-1989), 'meester' J. de Baar en Richard Bleijenberg. De eerste 2 als grote stimulators van het zoeken en bewaren van het prehistorische verleden van de Kauter; laatstgenoemde als amateur-archeoloog en beheerder van de groeve sinds 1983. De laatste jaren is de omgeving van de groeve, dankzij het zorgvuldige beheer, zelfs uitgegroeid tot een natuurgebied van formaat met broedende paren sperwers, bonte spechten, tjiftjafs, ransuilen en valken, een kolonie kauwen en zeldzame soorten muizen. De groeve is nog steeds toegankelijk voor groepen, van omstreeks half april tot begin oktober. Voor een bezoek kan contact worden opgenomen met Richard Bleijenberg op het adres Kerkpad 15 te Nieuw-Namen, tel. 0114-345384.

Meester Cyriel van der Heijden