Print deze pagina

2003.06 Consent 'Stichting Behoud Hoogaars' voorjaar: De vissers van de Kouter

Geschreven door RtC

"Botvissen was’t liefst da’k dee. Luistert… als’t harde grond was kostten we de kruiwagen op de platen rijden, was’t van die malse grond dan was’t mee de slee. Daar werden de netten opgeladen, soms wel vijftienhonderd meters. Mijn vader moest met de bakens de zee in, tot aan zijn nek. Dan pakte hij iedere keer een baken en dan voelde hij met z’n voet waar het net zat ee… dan maakte hij het vast, zo ging hij langs de plaat. En dan dacht ik: "A’t hem maar nie mistrapt… a't hem maar nie' mistrapt". Hij kon wel wat zwemmen, maar hij kreeg altijd krampen. Als’t water afging, dan mocht ik mee de bot oprapen, da' was wel leutig zunne… 't  is geweest dan kostten we’t niet opgeraapt krijgen".

Het is 1983. Celine van der Heijden uit Nieuw-Namen vertelt: 'Mijn grootvader was achtentachtig jaar en dan ging hij nog naar de Emmahaven om bot te steken. Mijn vader was negen jaar toen die al meeging. Mijn grootmoeder ging ook mee vissen. 't Was nog met de zeilen. 'k Zijn ook wel mee geweest met m'n vader om mosselen naar de Grevelingen. Nadien ben 'k nog mee gegaan garnalen vissen op de Noordzee. Dan vroeg ik: "Vader, is dat water hier ook zo zout?" Hij deed de puts overboord en zei: "Proefde gij ne keer". Ge verstaat dat wel…ee. M'n vader had een scheepje van z’n eigen. 't Was een hengst, gebouwd op de werf op Kruispolder. Later is’t er een moteurke ingezet. 'k Weet nog goed da'k een keer meeging, rond 1930, ginder tegen Haamstede. Dan hadden we zeven uur (naar huis) gevaren en dan kwamen we terug… weet je hoeveel we dan verdiend hadden… eenentwintig francs… een emmer en een 'alf gernaat. De gernaat stond viertien francs voor een emmer. Daar hadden twee grote mensen een hele dag voor gewerkt'. Celine van der Heijden heeft de zeiltijd nog meegemaakt en was een dochter uit een vissersgeslacht.

Louis van Roeijen, bijgenaamd 't Vlooike, Nieuw-Namen, ca. 1985.

Richard Bleijenberg (1936) uit Nieuw-Namen is veel jonger, komt niet uit een vissersfamilie, maar heeft in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw de visserij op de Schelde nog volop meegemaakt. Hij is een begenadigd verteller - alleen dat sappige Vlaams al - over de visserij vanuit al die kleine haventjes aan de zuidelijke oevers van de Westerschelde. Richard: 'Emmahaven had vroeger een stenen kaai met om de vijf, zes meter een meerpaal om de schepen aan vast te maken. Die haven was tamelijk diep. 's Zomers zwommen we er altijd. Dan sprongen we van de scheepkes zo overboord. Het was er altijd plezierig en die geur, ee… van de fornuizen, waar de garnalen in gekookt werden. De schepen kwamen binnen en dan dampten de fornuizen nog, dat was zo vriendelijk. De verse garnalengeur kwam dan binnen'. Op de haven was er altijd gezellige bedrijvigheid. De netten werden bijvoorbeeld geconserveerd. Richard: 'Dat noemden ze "netten katsjoeën". Het katoenen net ging in hetzelfde fornuis als de garnalen met spul erin dat leek op Buisman. Dat waren grote brokken, ze brachten het aan de kook en ze gooiden het net erin. Het was dan goed waterbestand. Het versleet dan zo rap niet'.

Een Hoogaars zeilt Emmahaven binnen, ca. 1920.  het is nog in de zeiltijd, zie de roeiriemen..

Celine: 'M'n vader heeft die haven nog zelf uitgebaggerd met de schop om wat langer tij te hebben. Als 't tij om twee uren was, dan moest ge d'r niet om half drie uitgaan, want dan was't water al weg. Moesten ze dan om één uur 's nachts van huis dan gingen ze eerst slapen en dan bleef mijn moeder waken… als vissersvrouw en ge moest ook de hele dag nog werken.' Richard: 'Emmahaven was in '52 al dichtgeslibd. De spuikom is kapot gegaan, dus verzandde de haven. Toen zijn er veel vissers van Clinge, van Nieuw-Namen en van Emmahaven naar Doel gegaan. In datzelfde jaar 1952 ben ik voor het eerst met Staf Praet gaan varen vanuit Doel. Zijn vader was Petrus Praet, een rasechte Koutermol. Hij woonde op de Kapellenberg, het uiterste puntje van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. Op Nieuw-Namen noemden ze dat "d’n oek van Olland". We visten met de K2 en die was maar negen meter en een half lang. Het was gene hengst maar ene Oostendense houten viskotter. Het was een zeemanneke'. 

In het gebied van Kieldrecht, Nieuw-Namen en Emmahaven ging ik op zoek naar de vissers van vroeger. Maar van die generatie die nog op de zeilen heeft gevist, leeft niemand meer. Paul de Schipper en Kees Slager hebben bij het schrijven van hun boek "Vissers verhalen" (1990) ook met mensen uit deze streek gepraat. Uit de verslagen van de gesprekken begin jaren tachtig met Celine van der Heijden en Richard Bleijenberg, beiden uit Nieuw-Namen, heb ik onderstaand verhaal kunnen schrijven. Celine van der Heijden die van 1916 was, is inmiddels overleden. Richard Bleijenberg (1936) is nog springlevend en heeft mij erg geholpen bij het maken van dit artikel. Met dank aan Paul de Schipper en Kees Slager. Jan Hendriksen

Gustaaf de Maaijer, bijgenaamd De Sterke, ca. 1959. De groeven in zijn gezicht zijn gelijk de geulen in Saeftinghe.

Een visserij

Richard: 'D'n Staf wist precies waar hij zijn netten uit moest gooien. Hij wist bijvoorbeeld een plek waar ooit eens zijn net gescheurd was (bijvoorbeeld op een oud anker), daar moest hij niet meer wezen. Hij had overal zijn visserijen. Een visserij da's een plek waar veel garnalen zaten. Soms was dat Valkenisse, soms Bath. Maar bij Walsoorden of Hoedekenskerke of het Middelgat werd er ook gevist. Staf gebruikte zeker geen vaarwater, een visser vaarde niet op de boeien. De garnalen zaten het meeste tegen een zandbank op ondiep water. Sommige visserijen waren wel vier of vijf kilometer lang. De Hoge Plaat was wel acht kilometer lang. Dat was goed voor de knecht, dan had je als knecht de tijd om je garnalen op het gemak te koken, maar waren dat hele korte sleepkes, zoals in het Speelmansgat, op tien minuten was ge dan van voor naar achter. Dan was de ene sleep nog niet klaar of er lag alweer een andere kluts garnalen. Vissers op de Schelde, 't was tij-werk… nooit op dezelfde tijd beginnen… een ongedurig bestaan… steeds gejaagd. Dertien, veertien uur per dag. Als er maar 150 kilo garnalen en 25 kilo vis aan boord was dan was't goed. Het seizoen begon met 30, 40 kilo, liep het later in het seizoen dan had je 75 kilo garnalen. We hadden toendertijd een visserij in het Sloe. Dat was voorjaar '52. Daar was iedereen vrij van te vissen. Dus wie er als eerste was, ving veel. 

De Hengst TH 22 onder zeil.

Petrus Praet stelde z’n eigen de vraag: "Waar heeft Onkel Staf diene garnalen." Petrus gaat dus op een zondagmiddag met zijn vrouw op bezoek bij knecht Richard. 'Waar hedde gezeten jongen, vorige week. 'k Heb ulder nie gezien?' 'Ah Petrus, we hebben in het Sloe gezeten en garnalen dat er zitten, eene duim dik'. 'Dan hedde goed ulder best gedaan.' 'Ja, ja Petrus en maandagmorgen om twee uur gaan we weer'. Petrus Praet wist natuurlijk genoeg. Hij vertok die maandagochtend nog veel vroeger en was vóór zijn oom aan het Sloe.

Sjarelke Tok, visserman te Nieuw-Namen, ca. 1985.

Richard: 'Nou kommen we aan Fort Rammekens, achter den hoek van Borsele… da's nu allemaal industriegebied, maar toen keek ge over de schorren… We zagen boven die schorren da' witte mastje van Petrus.Ik hoor Staf nog vloeken: "die verdoemmese lange smeerlap is me voor. Ik zeg tegen Staf: "Wie is dat dare?" "Ah, die lange Petrus, die hedde mij afgeloerd." Ik zeg heel onschuldig tegen Staf: "hij hedde gister nog bij ons gewiest." Nou toen kwam de aap uit de mouw. Ik werd door Staf z’n vloeken aan het dek genageld. "Gij lelijke varkenskop" was nog het netste.’

Leuren

De garnalen en de vis werd gelost in alle kleine haventjes zoals Emmahaven. Celine van der Heijden: 'De garnalen, daar kwam een voerman om, die bracht ze naar huis ee… dan kwamen de leurders van Kieldrecht bij ons thuis. 't Is nog een tijd geweest dat we moesten teirlingen (dobbelen) omdat er zo weinig was. Soms zat het stampvol in huis. Bij moeder is het nog geweest dat, als de leurders kwamen, wij in de stal moesten zitten mee een keerske. Zo rond '60 was 't slecht in de visserij. Ik zeg tegen m’n man: "Gij gaat varen dan zal ik de baan gaan doen". Dan ging ik op de fiets naar Beveren. De eerste keer ging mijn man mee, 't was een wreed brave man zunne. Ik kwam daar en ik riep zover as d'ak roepen kon: "Verse gernaat". 'Mijn man was er beschaamd van.'

De Botter CLN 3 van Jan den Bodde, de laatste visser van Emmahaven, ligt weg te rotten. Ca. 1980.

Richard Bleijenberg herinnert zich dat ze als het een goed jaar was in de maand september, wanneer de garnalen volgroeid waren soms vangsten van driehonderd kilo aan de wal zetten. Meestal bracht Richard de vangst op de fiets naar het huis van Staf. 'Daar stond dan een rij mensen aan de deur te wachten met een emmerke. Ze kwamen de garnalen halen om te pellen, ze kregen dan zoveel francs de kilo. Uit een emmer van vijf kilo haalde je zo’n anderhalve kilo garnalen.' De grootvader van Richard was ook een leurder. Hij leurde in Dendermonde. Richard: hij was niet alleen een groot leurde, hij was ook een groot drinker. Die is dikwijls naar huis gekomen dat hij zat was, dan kroop hij in zijn hondekar. De honden wisten precies de weg naar Kieldrecht. En Dendermonde-Kieldrecht, ik denk toch dat het vijfendertig kilometer is. Op maandag was er nooit marchandis omdat er dan niet gevist werd. Dat noemden ze in Nieuw-Namen 'de dag van de leurders'. Dan liep het dorp vol zatte mannen. In Nieuw-Namen had je tientallen café’s. In Emmahaven dronken de vissers maar ook de leurders na het binnenkomen van de schepen ook graag een pint. Je had er een stuk of zeven café's, nu is er nog één. De grens had zijn nadelen maar ook zijn voordelen. In de Eerste Wereldoorlog - België was in oorlog, Nederland was neutraal - mochten de Belgische vissers niet meer vissen. Dat betekende goeie tijden voor de vissers aan de Nederlandse kant van de grens. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er een wet die gebood dat de garnalen niet meer lukraak op kleine haventjes verkocht mochten worden. Het moest allemaal via de vismijn in Breskens. Dat had natuurlijk met belasting te maken. Veel vissers aan de Nederlandse kant van de grens gingen hun garnalen naar Doel brengen. 'In de jaren '50 was dat een rijkmakerij' zegt Richard Bleijenberg, 'er werd geen belasting betaald en dan stond je niet bekend …ee'.

De K2, een houten viskottertje van 9,5 meter van Staf Praet was het eerste schip waar Richard Bleijenberg op voer. Hier ligt het weg te rotten in Kruispolderhaven (ca. 1960).

De winter

September was altijd een hoogtepunt van het garnalenseizoen. Maar het was ook kermis in op Emmahaven, die begon op de derde zondag van september. Er werd door veel vissers een week gestopt met vissen om te gaan feesten. Als knecht kreeg je een flinke zakcent. In die week gingen ook de schepen op de helling, de zeepokken werden eraf gehaald. Maar niet elke visser stopte. Want de opening van de mosselbanken had vaak plaats op de dinsdag voor de kermis. Het was met een bedrukt gezicht dat menig visser op de Krammenplaat of bij Viane op mosselzaad viste, terwijl zijn gedachten bij de draaiorgels toefden. Vergauwen (zie ook artikel Kieldrecht in België) schrijft: 'Niet alleen zij hadden bedrukte gezichten, want de herbergiers zegden wel eens zuchtend tegen elkaar "Die kermis zal niet veel zijn, want de schippers zijn niet thuis." Richard: 'Als in het late najaar het vissen niet meer te doen was, dan begon er een gezellige tijd, want dan ging je netten herstellen achter de warme kachel. IJverig boeten en breien met warme klompen aan en met een pruim tabak rond de Leuvense kachel.' Ook Celine herinnerde zich de gezelligheid: 'In de winter dan werden de netten gemaakt, in dat kleine huisken allemaal en dan moest u d'r over trappen ee… wilde ge van de kamer naar de keuken. Vader boette en ons jongens breidden. De botnetten moesten ook nagekeken worden. D'r moest vanonder lood gemaakt worden en van boven kurk'.

’t Is allemaal weg

Richard Bleijenberg denkt met weemoed terug aan vroeger: 'Zeehonden, ik heb er zoveel gezien. De eerste zeehonden kwamen we altijd tegen op de platen van de Zandvliet voor d'n ouden Doel. Recht voor de Zandvlietsluis van Antwerpen. Soms wel een stuk of vijftien bij elkaar. Ja dat vond ik machtig. Aan Valkenisse lagen er ook altijd veel. Bruinvissen zwommen hier veel voor de stevens van die snelvarende mailboten van Antwerpen naar Harwich en Londen. Ook zaagt ge veel vogels en er zaten veel soorten leven tussen de garnalen: zeekatten, inktvissen en grote Chinese krabben. Als ge dan terug denkt, wat is er nog van over. De Schelde is gewoon een riool geworden. Er wordt niet meer gevist. En als ge de horizon afkijkt van Zandvliet naar de Kruispolder, de romantiek die er vroeger was, die is er niet meer. De getijdehaventjes zijn weg. Het oude haventje van den Doel, Emmapolder, ge had de Paal, de Kruispolder. Baalhoek daar kon ge ook nog binnen, Walsoorden en ga zo maar door. Ik heb nog in Hoofdplaat gelegen in het haventje, 't is helemaal weg. Aan de andere kant had ge Ellewoutsdijk en Waarde waar ge nog binnen kon. Op Valkenisse laadden ze suikerbieten en in Bath ook. Daar was een inhammeke. Zandvliet, Woensdrecht, Ossendrecht, het waren allemaal getijdehaventjes. Dat waren allemaal vluchtgaten voor onze vissers. De haven van de Fredrik is nu een effen gladde dijk geworden. Op Belgisch grondgebied is het juust hetzelfde. Daar is de visserij helemaal kapot.'

Richard Bleijenberg toont een scheepslantaarn, een zogenaamde 'Baasrodenaar', die hij gevonden heeft in het Land van Saeftinghe.

Richard komt terug op de vissers: 'D'r waren hier drie schippers met dezelfde voor en achternaam: Petrus Praet, Piet Praet en Peer Praet. Dan had je de van der Heidens, de Kevers en de Lockefeers. D'r is geen visserij meer, de K2 waar ik op voer, is vergaan, verrot moet ge maar zeggen, in de Kruispolderhaven. Daar is zijn sterfbed. Een oudijzerkoopman heeft de motor eruit gesloopt en iemand die een stuk hout nodig had, sloeg het eraf.' De wandelaars op het Land van Saeftinghe hebben bij Emmahaven nog jaren het karkas van een ander houten schip, een botter, kunnen zien. Dat was de CL3 van de laatste visser van Emmahaven Jan den Bodde (bijnaam van Jan van der Heijden). 'Ach, als je dan vroeger met drie of vier schipkes van de Clinge in het haventje van de Doel lag, dan kroop je bij mekaar in het vooronder. Dat kan niet meer want de mensen zijn allemaal keihard geworden. 't Is een betonnen maatschappij geworden net als de Schelde zelf'. Aan het eind zegt Richard mijmerend: 'Zo is dat eigenlijk allemaal verlopen. Dat zijn van die dingen die ge uw hele leven niet vergeet'.

Door Jan Hendriksen