Folder Ministerie van Verkeer en Waterstaat: Het Verdronken Land verlandt

Geschreven door RtC

Folder uitgebracht door Ministerie van Verkeer en Waterstaat: Het Verdronken Land verlandt.

Het Verdronken Land van Saeftinghe een uniek gebied, nu en in de toekomst. De 3000 ha. aan slikken en schorren in het Verdronken Land van Saeftinghe vormen samen een prachtig en boeiend gebied. De natuur-historische betekenis en de actuele natuurwaarde geven het een belangrijke en unieke plaats als natuurgebied in West-Europa. Het laat zien hoe grote delen van de Zeeuwse delta er ongeveer 1000 jaar geleden hebben uitgezien. Saeftinghe is inmiddels verland tot een hoog schor, dat alleen bij hoog springtij volledig wordt overspoeld. Een natuur-historisch monument als levend onderdeel van het Schelde-estuarium, nu en in de toekomst.tot 1992.1931 tot 1992.

De levensloop van Saeftinghe. Een roerig verleden... Rond het begin van onze jaartelling maakte Saeftinghe deel uit van een uitgestrekt veengebied of vloedbos. Door het opdringen van de zee, de zogenaamde Duinkerke transgressie, werd op dit veenpakket klei afgezet. In de 11e eeuw na Chr. werden door monniken de eerste dijken aangelegd: de schorren werden cultuurland. Later werd ook turf gewonnen als brandstof en voor de zoutwinning. Door verdere inpolderingen, regelmatig onderbroken door overstromingen, bereikte de Heerlijkheid Saeftinghe in de 16é eeuw haar grootste omvang. Tijdens de Allerheiligenvloed van 1570 liep het grootste deel echter onder water. De resterende dijken werden in 1584 doorgestoken voor de verdediging van Antwerpen. Het Land van Saeftinghe verdronk, en in de voormalige polder werden snel diepe geulen gevormd. Vanaf het begin van de 17e eeuw werden delen van het gebied teruggewonnen. Hierbij werd de vorming van nieuwe schorren steeds op de voet gevolgd door bedijkingen, de laatste in 1907. Om het gebied sneller rijp te maken voor de volgende inpoldering werd in 1925 Engels slijkgras aangeplant, een pioniersplant die zeer effectief zand en slib kan invangen. In 1938 werd de Rijksdam aangelegd om de stroom te verminderen en werden greppels gegraven om de afwatering te bevorderen. Plannen voor inpolderingen van het hele gebied verdwenen echter in de archieven.  Hetzelfde geldt voor de vaarwegplannen waarbij het gebied zou worden doorsneden. Met de aanleg van de Gasdam in 1966 en het op Deltahoogte brengen van de zeedijk in de jaren tachtig kreeg Saeftinghe haar huidige begrenzing.  van Saeftinghe.

Hoogteveranderingen van 1931 tot 1963. In de periode van 1931 tot 1963 heeft vrijwel overal sedimentatie plaatsgevonden. De gebieden rond de Rijksdam, tussen de Platte Platen op het oostelijk deel van het Konijnenschor en aan weerszijden van het Hondegat zijn meer dan 80 cm opgehoogd. Op de hogere zuidelijke en oostelijke delen is minder dan 30 cm gesedimenteerd. In de geulen wisselen gebieden met erosie en sedimentatie elkaar af, vaak als gevolg van een verplaatsing van de geulas. De slikken langs de Westerschelde, dus vóór het Konijnenschor, de Marlemontse Plaat en de Noord zijn verlaagd, waarschijnlijk als gevolg van het opdringen van de hoofdgeul. 

Hoogteveranderingen van 1963 tot 1992. In vergelijking met de voorgaande periode is het schor zelf weinig opgehoogd. De grootste sedimentatie heeft nu plaatsgevonden in de geulen, vooral in het Speelmansgat en de IJskelder welke respectievelijk 70 en 50 cm zijn opgehoogd. Het Hondegat is daarentegen slechts 20 cm opgehoogd. De Spauwer, de verbinding tussen het Speelmansgat en de IJskelder, is sterk opgehoogd en begroeid geraakt. In tegenstelling tot de vorige periode zijn ook de slikken in het noorden langs de Westerschelde met 1 à 1½ m opgehoogd, ondanks de voortgaande opdringing van de Westerschelde. Deze ontwikkelingen wijzen op een groot zandaanbod, vooral in en rond de westelijke geulmondingen, zeer waarschijnlijk een gevolg van de zandstortingen voor het vaargeulonderhoud.

Het Verdronken Land van Saeftinghe. Vanaf de zeedijk lijkt Saeftinghe op een grasvlakte met weinig onderlinge hoogteverschillen. Alleen enkele hogere delen vallen op, zoals de schaapskooien met de weg ernaar toe en de lage dam evenwijdig aan de Gasdam. De laagste delen, de onbegroeide geulen en kreken, doorsnijden het schor in een typisch vertakte structuur. Drie grote geulen, van west naar oost: het Speelmansgat, de IJskelder en het Hondegat verbinden ca. 90 % van het schor in het noorden met de Westerschelde. De oostzijde wordt via enkele kleinere geulen gevuld en geleegd. Ondanks het overwegend "platte" uiterlijk van het schor is er een duidelijk verloop in hoogteligging. Het zuidelijk deel langs de zeedijk en het oostelijk deel, de Bogaard en de Noord, zijn de oudste en hoogste delen van Saeftinghe. Het noordwestelijk deel van Saeftinghe is, met uitzondering van de kernen van de Marlemontse plaat en het Konijnenschor, jonger en lager. Zeer karakteristiek voor een schor zijn de hoogteverschillen tussen de hogere oeverwallen langs de geulen en de lagere kommen daartussen. Waar de schorrand erodeert zijn zogenaamde erosiekliffen zichtbaar, die in de grote kreken enkele meters hoog kunnen zijn.    

De morfologische successie. Het schor wordt steeds minder vaak overspoeld doordat het sterker is opgehoogd dan de stijging van het hoogwater in dit deel van het estuarium. Deze ontwikkeling heeft uiteraard grote gevolgen voor de verspreiding van de vegetatie, die overwegend wordt bepaald door de frequentie en duur van de overspoeling. Door de verlanding kan het schor bij een bepaalde waterstand steeds minder water bergen. In 1992 komt er bij een gemiddeld hoogwater ongeveer 20 miljoen  m³ minder water het schor binnen dan in 1931. De plaats van het water is ingenomen door zand en slib, aangevoerd vanuit het estuarium. Het oppervlak van het gebied dat hoger ligt dan NAP + 2 m, grofweg het niveau waarboven de begroeiing aanslaat, is tussen 1931 en 1963 uitgebreid van 25 tot 60% van het totale oppervlak, terwijl het tussen 1963 en 1992 slechts met 10% is uitgebreid tot 70%. De verlanding van Saeftinghe heeft dus in de periode 1931-1963 vooral plaatsgevonden door het omhoogkomen en uitbreiden van de hoge, begroeide delen. Vanaf 1963 is de verlanding vooral in de grote geulen opgetreden.

Wat groeit waar? In een schorgebied wordt de vegetatie sterk bepaald door de hoogteligging via verschillen in overspoelingsduur en -frequentie, bodemgesteldheid, vochtgehalte en zoutgehalte. De hoge, zandige en daardoor relatief droge oeverwallen zijn voornamelijk begroeid met Strandkweek. In de lagere, kleiige en vochtige kommen wordt vooral Zeebies, Zeeaster en Engels slijkgras aangetroffen. Een primair schor met pioniers zoals Zeeaster en Engels slijkgras, wijst op een recente uitbreiding van het schor. Na enige tijd wordt dit een gebied met een min of meer homogene bedekking van Engels slijkgras. In de vijftiger jaren domineerden deze vegetatietypen bijna het gehele schor, uitgezonderd de hoge zuidelijke rand en het oostelijk deel. Nu worden ze alleen aangetroffen in de Spauwer, bij het Konijnenschor en in de Platte Platen. Het jonge en lage schor raakt begroeid met Kweldergras en Zeeaster. Het oude en hoge schor heeft een duidelijk ontwikkeld patroon van oeverwallen en kommen. Het noordwestelijk deel van Saeftinghe, dat dichter bij de zee ligt en door de lagere ligging vaker wordt overspoeld, heeft hogere zoutgehalten dan het zuidoostelijk deel. Dit komt tot uitdrukking in de verspreiding in de verspreiding van Riet, dat alleen in het oostelijk deel wordt aangetroffen. De rietvelden zijn overigens in aantal en in omvang sterk uitgebreid sinds 1931. Het beweide deel van het schor ligt langs de zeedijk en in het oostelijk deel..

Saeftinghe, deel van het Schelde-estuarium. De ontwikkeling van het Verdronken Land van Saeftinghe moet in samenhang worden gezien met die van het hele Schelde-estuarium,dat zich uitstrekt vanaf de Noordzee tot aan de sluizen van Gent. Grofweg kunnen naar zoutgehalte drie zones worden onderscheiden, elk met een specifieke flora en fauna: het zoute, het brakke en het zoete deel. Het zoutgehalteverloop is duidelijk zichtbaar aan de vegetatie op de schorren langs het estuarium. Saeftinghe vormt 95% van de schoroppervlakte in de brakwater-zone en 80% van die van het totale estuarium! De laatste jaren is de maatschappelijke druk om schorren te behouden groter geworden. Wil men bevorderen dat alle ontwikkelingsstadia van primaire tot rijpe schorren aanwezig zijn, dan zijn aanvullende maatregelen nodig. Een mogelijkheid is om vroeger bedijkte gebieden weer toe te voegen aan het estuarium. Door ze gedeeltelijk te ontgraven kan de verlanding opnieuw beginnen. Een andere mogelijkheid is het verlagen van hoge, rijpe schorren door ze af te plaggen. De wenselijkheid van dergelijke maatregelen dient te worden afgewogen in dialoog met alle betrokken maatschappelijke groeperingen. –

Een unieke ontwikkeling. Het Verdronken Land van Saeftinghe heeft een roerig verleden achter de rug. Sinds het verdrinken van de polders hebben de bodemligging en de begroeiing opnieuw hun natuurlijke successie doorlopen: Saeftinghe verkeert in een vergevorderd stadium van verlanding. Bedijkingen, aanplant van Engels slijkgras, de aanleg van de Rijksdam en het vaargeulonderhoud hebben de natuurlijke ontwikkeling van verlanding versneld. De huidige en de nog te verwachten ontwikkeling zijn uniek.  Door inpolderingen heeft vrijwel geen vergelijkbaar gebied in West Europa dit stadium kunnen bereiken.  Zonder verdere ingrepen zal Saeftinghe zich de komende decennia ontwikkelen tot een hoog schor dat alleen bij stormvloeden nog wordt overspoeld. De grote geulen zullen geleidelijk dichtgroeien en brak- en zoetwaterplanten krijgen meer en meer de overhand. De "grasvlakte" van nu zal geleidelijk veranderen in een brakwater-vloedbos met rietvelden, vlieren en wilgen. Het is ook mogelijk om de verlanding gedeeltelijk opnieuw te laten optreden door het schor te verjongen. Bij de discussie over de wenselijkheid van "niets doen" of "ingrijpen" diendt ook de ontwikkeling van de andere schorren in het Schelde-estuarium te worden betrokken. Het beheren van deze gebieden vergt denken in grote ruimte- en tijdschalen.

Colofon. 

Tekst: Kees Storm en Tom Pieters. Redactie: Kees vd Male, Karel Hendrikse, Peter Bollebakker, Jan vd Broeke, Dick de Jong en Leo Uit den Bogaard. Foto's: RIKZ, Grafische Technieken MD. Ontwerp: RIKZ, Leo Smalheer.                

Druk: Grafisch Bedrijf Pitman bv. Uitgave: project Oostwest, Augustus 1994, Rijks Instituut voor Kust en Zee. Postbus 8039, 4330 EA Middelburg.