Toon items op tag: Frederik Hendrik

Wie bij Baalhoek de zeedijk opklimt om over de Westerschelde te kijken, ziet rechts de slikken en schorren van het Verdronken Land van Saeftinghe.

Buitendijks dijkrestant bij Baalhoek. Foto’s Camile Schelstraete

De naam van het gebied suggereert dat het ontstaan is uit de in 1570 en 1574 overstroomde en in 1584/85 geïnundeerde polders binnen de heerlijkheid Saeftinghe. Die overstromingen gebeurden door natuurgeweld: stormvloeden. Mogelijk was er sprake van slecht onderhoud van de dijken, maar wat ook een rol speelde, was dat het gebied door moernering erg laag was komen te liggen. Niet alleen daar trouwens: er was gemoerd in het hele gebied tot aan Hulst waar nu de polders tussen Clinge, Graauw en Nieuw-Namen liggen. Moerneren was veen, turf uit de bodem halen voor twee doeleinden: als brandstof en als grondstof. Als brandstof was turf een goede vervanger voor het langzamerhand steeds schaarser wordende hout. Voor de zoutziederij diende het als grondstof. Het ontstaan van Saeftinghe was ook het gevolg van mensenwerk: inundatie. Zeeuwse troepen die aan Staatse kant vochten, zetten eerst de sluizen open en staken daarna de dijken door. Ze moesten zich terugtrekken, omdat de Spanjaarden Antwerpen heroverden. Door de boel onder water te zetten, hoopten ze een verdere vijandelijke opmars in noordelijke richting te kunnen beletten. Het complex van slikken en schorren in de Westerschelde is echter niet alleen een groot deel van de heerlijkheid Saeftinghe. Het westelijk gedeelte, het Konijnenschor en omgeving, was een deel van het Hulsterambacht. Daar lagen enkele polders zoals de Luys-, de Speelman-, Middel- en Spijerspolder en de Polder van Namen. De laatste was de grootste. Hij sloot aan bij de Kruispolder en strekte zich uit tot aan de Marlemontseplaat (overigens ook de naam van een verdronken polder) die nagenoeg midden in het Verdronken Land ligt. Wie bij Baalhoek gebruik maakt van de trap aan de westzijde van de buurtschap, ziet daar aan de voet van de zeedijk een klein nolletje, een strekdammetje, liggen. Dat is een pover restant van wat vroeger de zeedijk was van een van die poldertjes. Tot aan de dijkverzwaring in het kader van het Deltaplan in 1978 lag daar het haventje van Baalhoek. Vissers als Ko van Immerseel en Albert de Bruijn en vrachtschipper Leo de Bruijn hadden er hun thuishaven. Bovenop de zeedijk stond het woonhuis annex café en winkel van Aloys de Bruijn. Het pand werd tijdens de watersnood van 1953 zodanig beschadigd dat het niet meer hersteld werd. Bovendien was bouwen op de zeedijk uit den boze. Ieder vreemd voorwerp in het dijklichaam, zelfs een dijkpaal, nodig om een dijk in stukken te verdelen, is eigenlijk ongewenst, maar daar kun je niet altijd buiten. Hoe komt het eigenlijk dat een polder in Zeeuws-Vlaanderen genoemd wordt naar een plaats in Wallonië? Het is niet de stad die de naam gegeven heeft, maar de bedijker. Dat was Jan I die van 1298 tot 1330 graaf van Namen was. De bedijking vond plaats in 1285. Jan, geboren in 1266, was de oudste zoon van Gwijde (Guido) van Dampierre en Isabella van Luxemburg. Gwijde was graaf van Vlaanderen en Namen. Hij had nogal wat te stellen met Frankrijk, waarbij Jan hem hielp, onder meer tijdens de Guldensporenslag in 1302 bij Kortrijk. Ook steunde hij de latere graaf Lodewijk van Nevers tijdens diens oorlog. Wellicht vraagt u zich af: wat heeft dit met Zeeuws-Vlaanderen te maken? Wel nu: als beloning voor de bijstand aan laatstgenoemde graaf kreeg hij de stad Sluis. Zo ging dat bij de grote mannen in die tijd: alles of toch zo goed als alles was van hen en ze konden ermee doen wat ze wilden. De polder van Namen was niet het enige dat Jan in deze contreien bezat: hij had ook bezittingen in Triniteit en Othene bij Terneuzen. Maar terug naar de Polder van Namen. Toen de hertog van Parma in 1596 het vijf jaar tevoren verloren Hulst weer in Spaanse handen bracht, werden de dijken van de polder doorgestoken, maar in 1614 werd men het zoute water weer de baas. Op het meest oostelijke punt van de polder legden de Spanjaarden een groot fort aan dat de naam Sint-Anna kreeg. Dat bouwen moet gedaan zijn na 1584/85 toen Hulst aan het open water kwam te liggen door het doorsteken van de dijken van de heerlijkheid Saeftinghe. Langs die geul, het Saeftingher Gat, zouden de Noord-Nederlandse opstandelingen immers moeiteloos met hun schepen het stadje kunnen benaderen. Het was eigenlijk de sleutel tot Stad en Land van Hulst en in 1632 slaagden de Staatsen erin die te pakken te krijgen. In 1640 gebruikte prins Frederik Hendrik dat bruggenhoofd om een (hernieuwde) aanval op Hulst uit te voeren door daar aan land te gaan. Zijn soldaten kwamen weliswaar tot voor de wallen, maar Frederik Hendrik moest zich terugtrekken zonder succes te boeken. Dat behaalde hij pas vijf jaar later in 1645. Het jaar 1682 begon voor het land aan het oostelijk deel van de Westerschelde niet voorspoedig: op 23 januari overstroomden veel polders, ook de Polder van Namen. In het fort Sint-Anna stond het water twee voet hoog op de zolders van de manschappenverblijven. Deze en andere polders werden weer drooggelegd, maar ze bleven in een kwetsbaar gebied liggen. Zo moest in 1697 de Luyspolder worden prijsgegeven en op 3 maart 1715 het Paardenschor. Ook de Polder van Namen kwam onder water te staan door een gat in de dijk met de Speelmanpolder. Het huidige Speelmansgat in het Verdronken Land, de toegang naar de haven van Paal, dankt er zijn naam aan. Er werd wel gepoogd te redden wat er te redden viel, maar met kerstmis 1717 moest men voorgoed de duimen leggen. Het fort Sint-Anna werd verlaten en evenals de polder werd het aan de zee prijsgegeven.           

De Saeftingheklok die tot zeker 1717 in de kerktoren van het verdwe­nen dorp Namen hing, is sinds 1809 ondergebracht in de rooms-katholieke kerk van Graauw.

Door George Sponselee