Anderhalf jaar heeft ze rondgezwommen in de Westerschelde: de gewone dolfijn van 's Gravenpolder. Het honkvaste vrouwtje ontpopte zich in die periode als een toeristische trekpleister, maar afgelopen dinsdag werd ze dood aangetroffen bij het verdronken Land van Saeftinghe, in het oostelijk deel van de zeearm.

Richard Bleijenberg (67), voormalig gids van het Zeeuwse Landschap, liep door Saeftinghe en zag iets glinsteren in de zon. Aanvankelijk dacht hij aan een gedumpt varken, maar het bleek de dolfijn - 1.50 meter lang en ongeveer 45 kilo zwaar - die hij eerder nog in levenden lijve had aanschouwd. Bleijenberg: "Zonde, want er zijn genoeg varkens. Maar dolfijntjes... "Het onvolwassen dier was een weekje dood en aangepikt door kraaien en meeuwen. Volgens de oud-gids was het vrouwtje zes weken geleden nog gezien vanaf boten, in het 'slechtere' deel van de Westerschelde. Uiteindelijk is de dolfijn in een lijkenzak van de politie afgevoerd naar Neeltje Jans, het werkeiland bij de ingang van de Oosterschelde. Dr. Chris Smeenk, conservator zoogdieren van Naturalis in Leiden, zal sectie verrichten. "De dolfijn was jammer genoeg niet helemaal vers. Daarom hebben we er niet direct werk van gemaakt en haar tijdelijk in de diepvries gelegd." Er komen wel vaker dolfijnen in Nederlandse wateren voor, sinds 1970 acht soorten. Daarvan is de gewone dolfijn niet de zeldzaamste, maar wel een echte dwaalgast. In genoemde periode werden 22 levende exemplaren waargenomen en kwamen vier dode in Leiden terecht. Smeenk: "In de jaren twintig van de vorige eeuw werden gewone dolfijnen opeens algemener, waarschijnlijk veroorzaakt door het warmer worden van het zeewater, waardoor allerlei soorten noordwaarts opstoomden. Dat gold ook voor de prooi van de dolfijnen, onder meer sardientjes. Een halve eeuw later was de opleving weer voorbij." De laatste gewone dolfijnen werden bij ons gezien in januari 1997 (twee exemplaren in de Brittannië-haven in Rotterdam), terwijl vanaf eind januari 1999 enige tijd twee dieren bij Scheveningen verbleven. Hoe de dolfijn in de Westerschelde verzeild is geraakt? Smeenk: "Ze komen in de Atlantische Oceaan voor, noordelijk tot in het Kanaal, maar ook wel tot boven Groot-Brittannië. Dus óf via het Kanaal, óf via Schotland."  Dat het dier zo honkvast was, kan behalve met de aanwezigheid van vis iets te maken hebben gehad met het aantrekkelijke piepen en knarsen van de kettingen van de groene boei, waarop ze zich kon oriënteren. De Zeeuwse dolfijn sprong vaak boven water. Een vrolijk dier? Smeenk: "Integendeel. Ze sprong zich - eenzaam als ze was - letterlijk een rotje om soortgenoten te lokken."

Door Guus van Duin

Het was voor de betrokkenen een heel bijzondere ervaring het fluitende dolfijntje rond boei 17 te zien zwemmen en duiken. Het dolfijntje werd er dagelijks gezien door de rivierpolitie en mensen van de Rijkswaterstaat. Het werd het laatst gezien aan de boei 65 voor de IJskelder in Saeftinghe. En dan, op dinsdag 8 april l.l., bracht oud-gids van’t schor, Richard Bleijenberg een bezoek aan de Emmahaven, zoals hij dat vele malen doet. Die dag echter deed hij een trieste ontdekking: eerst dacht hij er een kadaver gevonden te hebben. Maar wat een verrassing, het was een dolfijntje. Later bleek dit het dolfijntje van boei 17 te zijn. Hier eindigde dan het leven van een zeer intelligent dier, dat voor het eerst was opgemerkt in de Westerschelde in november 2001. Enkele weken terug hebben de kinderen van de Sint-Jozef school te Nieuw-Namen 5 kubieke meter zwerfvuil uit het schor gehaald, en geloof ons het was een leerzame dag. Het is maar goed dat de kinderen niet in contact zijn geweest met deze trieste vondst. Woensdag 9 april is de dolfijn, die lag tegenover de geul genaamd "Hondegat", opgehaald door Jos Neve, Richard Bleijenberg en de politie voor verder onderzoek naar de doodsoorzaak. Het geraamte zal zeer waarschijnlijk tentoongesteld worden in het bezoekerscentrum en zal dan een blijvende herinnering zijn aan het "dolfijntje van boei 17".

Door Richard Bleijenberg

"Botvissen was’t liefst da’k dee. Luistert… als’t harde grond was kostten we de kruiwagen op de platen rijden, was’t van die malse grond dan was’t mee de slee. Daar werden de netten opgeladen, soms wel vijftienhonderd meters. Mijn vader moest met de bakens de zee in, tot aan zijn nek. Dan pakte hij iedere keer een baken en dan voelde hij met z’n voet waar het net zat ee… dan maakte hij het vast, zo ging hij langs de plaat. En dan dacht ik: "A’t hem maar nie mistrapt… a't hem maar nie' mistrapt". Hij kon wel wat zwemmen, maar hij kreeg altijd krampen. Als’t water afging, dan mocht ik mee de bot oprapen, da' was wel leutig zunne… 't  is geweest dan kostten we’t niet opgeraapt krijgen".

Het is 1983. Celine van der Heijden uit Nieuw-Namen vertelt: 'Mijn grootvader was achtentachtig jaar en dan ging hij nog naar de Emmahaven om bot te steken. Mijn vader was negen jaar toen die al meeging. Mijn grootmoeder ging ook mee vissen. 't Was nog met de zeilen. 'k Zijn ook wel mee geweest met m'n vader om mosselen naar de Grevelingen. Nadien ben 'k nog mee gegaan garnalen vissen op de Noordzee. Dan vroeg ik: "Vader, is dat water hier ook zo zout?" Hij deed de puts overboord en zei: "Proefde gij ne keer". Ge verstaat dat wel…ee. M'n vader had een scheepje van z’n eigen. 't Was een hengst, gebouwd op de werf op Kruispolder. Later is’t er een moteurke ingezet. 'k Weet nog goed da'k een keer meeging, rond 1930, ginder tegen Haamstede. Dan hadden we zeven uur (naar huis) gevaren en dan kwamen we terug… weet je hoeveel we dan verdiend hadden… eenentwintig francs… een emmer en een 'alf gernaat. De gernaat stond viertien francs voor een emmer. Daar hadden twee grote mensen een hele dag voor gewerkt'. Celine van der Heijden heeft de zeiltijd nog meegemaakt en was een dochter uit een vissersgeslacht.

Louis van Roeijen, bijgenaamd 't Vlooike, Nieuw-Namen, ca. 1985.

Richard Bleijenberg (1936) uit Nieuw-Namen is veel jonger, komt niet uit een vissersfamilie, maar heeft in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw de visserij op de Schelde nog volop meegemaakt. Hij is een begenadigd verteller - alleen dat sappige Vlaams al - over de visserij vanuit al die kleine haventjes aan de zuidelijke oevers van de Westerschelde. Richard: 'Emmahaven had vroeger een stenen kaai met om de vijf, zes meter een meerpaal om de schepen aan vast te maken. Die haven was tamelijk diep. 's Zomers zwommen we er altijd. Dan sprongen we van de scheepkes zo overboord. Het was er altijd plezierig en die geur, ee… van de fornuizen, waar de garnalen in gekookt werden. De schepen kwamen binnen en dan dampten de fornuizen nog, dat was zo vriendelijk. De verse garnalengeur kwam dan binnen'. Op de haven was er altijd gezellige bedrijvigheid. De netten werden bijvoorbeeld geconserveerd. Richard: 'Dat noemden ze "netten katsjoeën". Het katoenen net ging in hetzelfde fornuis als de garnalen met spul erin dat leek op Buisman. Dat waren grote brokken, ze brachten het aan de kook en ze gooiden het net erin. Het was dan goed waterbestand. Het versleet dan zo rap niet'.

Een Hoogaars zeilt Emmahaven binnen, ca. 1920.  het is nog in de zeiltijd, zie de roeiriemen..

Celine: 'M'n vader heeft die haven nog zelf uitgebaggerd met de schop om wat langer tij te hebben. Als 't tij om twee uren was, dan moest ge d'r niet om half drie uitgaan, want dan was't water al weg. Moesten ze dan om één uur 's nachts van huis dan gingen ze eerst slapen en dan bleef mijn moeder waken… als vissersvrouw en ge moest ook de hele dag nog werken.' Richard: 'Emmahaven was in '52 al dichtgeslibd. De spuikom is kapot gegaan, dus verzandde de haven. Toen zijn er veel vissers van Clinge, van Nieuw-Namen en van Emmahaven naar Doel gegaan. In datzelfde jaar 1952 ben ik voor het eerst met Staf Praet gaan varen vanuit Doel. Zijn vader was Petrus Praet, een rasechte Koutermol. Hij woonde op de Kapellenberg, het uiterste puntje van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. Op Nieuw-Namen noemden ze dat "d’n oek van Olland". We visten met de K2 en die was maar negen meter en een half lang. Het was gene hengst maar ene Oostendense houten viskotter. Het was een zeemanneke'. 

In het gebied van Kieldrecht, Nieuw-Namen en Emmahaven ging ik op zoek naar de vissers van vroeger. Maar van die generatie die nog op de zeilen heeft gevist, leeft niemand meer. Paul de Schipper en Kees Slager hebben bij het schrijven van hun boek "Vissers verhalen" (1990) ook met mensen uit deze streek gepraat. Uit de verslagen van de gesprekken begin jaren tachtig met Celine van der Heijden en Richard Bleijenberg, beiden uit Nieuw-Namen, heb ik onderstaand verhaal kunnen schrijven. Celine van der Heijden die van 1916 was, is inmiddels overleden. Richard Bleijenberg (1936) is nog springlevend en heeft mij erg geholpen bij het maken van dit artikel. Met dank aan Paul de Schipper en Kees Slager. Jan Hendriksen

Gustaaf de Maaijer, bijgenaamd de Sterke, ca. 1959. De groeven in zijn gezicht zijn gelijk de geulen in Saeftinghe.

Een visserij

Richard: 'D'n Staf wist precies waar hij zijn netten uit moest gooien. Hij wist bijvoorbeeld een plek waar ooit eens zijn net gescheurd was (bijvoorbeeld op een oud anker), daar moest hij niet meer wezen. Hij had overal zijn visserijen. Een visserij da's een plek waar veel garnalen zaten. Soms was dat Valkenisse, soms Bath. Maar bij Walsoorden of Hoedekenskerke of het Middelgat werd er ook gevist. Staf gebruikte zeker geen vaarwater, een visser vaarde niet op de boeien. De garnalen zaten het meeste tegen een zandbank op ondiep water. Sommige visserijen waren wel vier of vijf kilometer lang. De Hoge Plaat was wel acht kilometer lang. Dat was goed voor de knecht, dan had je als knecht de tijd om je garnalen op het gemak te koken, maar waren dat hele korte sleepkes, zoals in het Speelmansgat, op tien minuten was ge dan van voor naar achter. Dan was de ene sleep nog niet klaar of er lag alweer een andere kluts garnalen. Vissers op de Schelde, 't was tij-werk… nooit op dezelfde tijd beginnen… een ongedurig bestaan… steeds gejaagd. Dertien, veertien uur per dag. Als er maar 150 kilo garnalen en 25 kilo vis aan boord was dan was't goed. Het seizoen begon met 30, 40 kilo, liep het later in het seizoen dan had je 75 kilo garnalen. We hadden toendertijd een visserij in het Sloe. Dat was voorjaar '52. Daar was iedereen vrij van te vissen. Dus wie er als eerste was, ving veel. 

De Hengst TH 22 onder zeil.

Petrus Praet stelde z’n eigen de vraag: "Waar heeft Onkel Staf diene garnalen." Petrus gaat dus op een zondagmiddag met zijn vrouw op bezoek bij knecht Richard. 'Waar hedde gezeten jongen, vorige week. 'k Heb ulder nie gezien?' 'Ah Petrus, we hebben in het Sloe gezeten en garnalen dat er zitten, eene duim dik'. 'Dan hedde goed ulder best gedaan.' 'Ja, ja Petrus en maandagmorgen om twee uur gaan we weer'. Petrus Praet wist natuurlijk genoeg. Hij vertok die maandagochtend nog veel vroeger en was vóór zijn oom aan het Sloe.

Sjarelke Tok, visserman te Nieuw-Namen, ca. 1985.

Richard: 'Nou kommen we aan Fort Rammekens, achter den hoek van Borsele… da's nu allemaal industriegebied, maar toen keek ge over de schorren… We zagen boven die schorren da' witte mastje van Petrus.Ik hoor Staf nog vloeken: "die verdoemmese lange smeerlap is me voor. Ik zeg tegen Staf: "Wie is dat dare?" "Ah, die lange Petrus, die hedde mij afgeloerd." Ik zeg heel onschuldig tegen Staf: "hij hedde gister nog bij ons gewiest." Nou toen kwam de aap uit de mouw. Ik werd door Staf z’n vloeken aan het dek genageld. "Gij lelijke varkenskop" was nog het netste.’

Leuren

De garnalen en de vis werd gelost in alle kleine haventjes zoals Emmahaven. Celine van der Heijden: 'De garnalen, daar kwam een voerman om, die bracht ze naar huis ee… dan kwamen de leurders van Kieldrecht bij ons thuis. 't Is nog een tijd geweest dat we moesten teirlingen (dobbelen) omdat er zo weinig was. Soms zat het stampvol in huis. Bij moeder is het nog geweest dat, als de leurders kwamen, wij in de stal moesten zitten mee een keerske. Zo rond '60 was 't slecht in de visserij. Ik zeg tegen m’n man: "Gij gaat varen dan zal ik de baan gaan doen". Dan ging ik op de fiets naar Beveren. De eerste keer ging mijn man mee, 't was een wreed brave man zunne. Ik kwam daar en ik riep zover as d'ak roepen kon: "Verse gernaat". 'Mijn man was er beschaamd van.'

De Botter CLN 3 van Jan den Bodde, de laatste visser van Emmahaven, ligt weg te rotten. Ca. 1980.

Richard Bleijenberg herinnert zich dat ze als het een goed jaar was in de maand september, wanneer de garnalen volgroeid waren soms vangsten van driehonderd kilo aan de wal zetten. Meestal bracht Richard de vangst op de fiets naar het huis van Staf. 'Daar stond dan een rij mensen aan de deur te wachten met een emmerke. Ze kwamen de garnalen halen om te pellen, ze kregen dan zoveel francs de kilo. Uit een emmer van vijf kilo haalde je zo’n anderhalve kilo garnalen.' De grootvader van Richard was ook een leurder. Hij leurde in Dendermonde. Richard: hij was niet alleen een groot leurde, hij was ook een groot drinker. Die is dikwijls naar huis gekomen dat hij zat was, dan kroop hij in zijn hondekar. De honden wisten precies de weg naar Kieldrecht. En Dendermonde-Kieldrecht, ik denk toch dat het vijfendertig kilometer is. Op maandag was er nooit marchandis omdat er dan niet gevist werd. Dat noemden ze in Nieuw-Namen 'de dag van de leurders'. Dan liep het dorp vol zatte mannen. In Nieuw-Namen had je tientallen café’s. In Emmahaven dronken de vissers maar ook de leurders na het binnenkomen van de schepen ook graag een pint. Je had er een stuk of zeven café's, nu is er nog één. De grens had zijn nadelen maar ook zijn voordelen. In de Eerste Wereldoorlog - België was in oorlog, Nederland was neutraal - mochten de Belgische vissers niet meer vissen. Dat betekende goeie tijden voor de vissers aan de Nederlandse kant van de grens. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er een wet die gebood dat de garnalen niet meer lukraak op kleine haventjes verkocht mochten worden. Het moest allemaal via de vismijn in Breskens. Dat had natuurlijk met belasting te maken. Veel vissers aan de Nederlandse kant van de grens gingen hun garnalen naar Doel brengen. 'In de jaren '50 was dat een rijkmakerij' zegt Richard Bleijenberg, 'er werd geen belasting betaald en dan stond je niet bekend …ee'.

De K2, een houten viskottertje van 9,5 meter van Staf Praet was het eerste schip waar Richard Bleijenberg op voer. Hier ligt het weg te rotten in Kruispolderhaven (ca. 1960).

De winter

September was altijd een hoogtepunt van het garnalenseizoen. Maar het was ook kermis in op Emmahaven, die begon op de derde zondag van september. Er werd door veel vissers een week gestopt met vissen om te gaan feesten. Als knecht kreeg je een flinke zakcent. In die week gingen ook de schepen op de helling, de zeepokken werden eraf gehaald. Maar niet elke visser stopte. Want de opening van de mosselbanken had vaak plaats op de dinsdag voor de kermis. Het was met een bedrukt gezicht dat menig visser op de Krammenplaat of bij Viane op mosselzaad viste, terwijl zijn gedachten bij de draaiorgels toefden. Vergauwen (zie ook artikel Kieldrecht in België) schrijft: 'Niet alleen zij hadden bedrukte gezichten, want de herbergiers zegden wel eens zuchtend tegen elkaar "Die kermis zal niet veel zijn, want de schippers zijn niet thuis." Richard: 'Als in het late najaar het vissen niet meer te doen was, dan begon er een gezellige tijd, want dan ging je netten herstellen achter de warme kachel. IJverig boeten en breien met warme klompen aan en met een pruim tabak rond de Leuvense kachel.' Ook Celine herinnerde zich de gezelligheid: 'In de winter dan werden de netten gemaakt, in dat kleine huisken allemaal en dan moest u d'r over trappen ee… wilde ge van de kamer naar de keuken. Vader boette en ons jongens breidden. De botnetten moesten ook nagekeken worden. D'r moest vanonder lood gemaakt worden en van boven kurk'.

’t Is allemaal weg

Richard Bleijenberg denkt met weemoed terug aan vroeger: 'Zeehonden, ik heb er zoveel gezien. De eerste zeehonden kwamen we altijd tegen op de platen van de Zandvliet voor d'n ouden Doel. Recht voor de Zandvlietsluis van Antwerpen. Soms wel een stuk of vijftien bij elkaar. Ja dat vond ik machtig. Aan Valkenisse lagen er ook altijd veel. Bruinvissen zwommen hier veel voor de stevens van die snelvarende mailboten van Antwerpen naar Harwich en Londen. Ook zaagt ge veel vogels en er zaten veel soorten leven tussen de garnalen: zeekatten, inktvissen en grote Chinese krabben. Als ge dan terug denkt, wat is er nog van over. De Schelde is gewoon een riool geworden. Er wordt niet meer gevist. En als ge de horizon afkijkt van Zandvliet naar de Kruispolder, de romantiek die er vroeger was, die is er niet meer. De getijdehaventjes zijn weg. Het oude haventje van den Doel, Emmapolder, ge had de Paal, de Kruispolder. Baalhoek daar kon ge ook nog binnen, Walsoorden en ga zo maar door. Ik heb nog in Hoofdplaat gelegen in het haventje, 't is helemaal weg. Aan de andere kant had ge Ellewoutsdijk en Waarde waar ge nog binnen kon. Op Valkenisse laadden ze suikerbieten en in Bath ook. Daar was een inhammeke. Zandvliet, Woensdrecht, Ossendrecht, het waren allemaal getijdehaventjes. Dat waren allemaal vluchtgaten voor onze vissers. De haven van de Fredrik is nu een effen gladde dijk geworden. Op Belgisch grondgebied is het juust hetzelfde. Daar is de visserij helemaal kapot.'

Richard Bleijenberg toont een scheepslantaarn, een zogenaamde 'Baasrodenaar', die hij gevonden heeft in het Land van Saeftinghe.

Richard komt terug op de vissers: 'D'r waren hier drie schippers met dezelfde voor en achternaam: Petrus Praet, Piet Praet en Peer Praet. Dan had je de van der Heidens, de Kevers en de Lockefeers. D'r is geen visserij meer, de K2 waar ik op voer, is vergaan, verrot moet ge maar zeggen, in de Kruispolderhaven. Daar is zijn sterfbed. Een oudijzerkoopman heeft de motor eruit gesloopt en iemand die een stuk hout nodig had, sloeg het eraf.' De wandelaars op het Land van Saeftinghe hebben bij Emmahaven nog jaren het karkas van een ander houten schip, een botter, kunnen zien. Dat was de CL3 van de laatste visser van Emmahaven Jan den Bodde (bijnaam van Jan van der Heijden). 'Ach, als je dan vroeger met drie of vier schipkes van de Clinge in het haventje van de Doel lag, dan kroop je bij mekaar in het vooronder. Dat kan niet meer want de mensen zijn allemaal keihard geworden. 't Is een betonnen maatschappij geworden net als de Schelde zelf'. Aan het eind zegt Richard mijmerend: 'Zo is dat eigenlijk allemaal verlopen. Dat zijn van die dingen die ge uw hele leven niet vergeet'.

Door Jan Hendriksen

In deze bijdrage staat de geografische ontwikkeling van het oostelijke deel van de Westerschelde centraal. Er zal nader worden ingegaan op de ontwikkeling van de rechteroever, de Bevelandse zijde, waarbij de aanleg van de spoorlijn van belang is geweest. Aan de Zeeuwsvlaamse zijde gaat de aandacht uit naar de inpoldering in het Verdronken Land van Saeftinghe. Bijzondere aandacht is er ook voor de haventjes aan weerszijden. Zowel de inpolderingen, als een continu-proces als de ontwikkeling van kleinere getijden haventjes zijn van belang geweest voor de binnenscheepvaart en inzonderheid de visserij op de binnenwateren.

Het Verdronken Land van Saeftinghe in 1995.

Situatie rond 1800

Het oostelijke deel van de Westerschelde was een getijdengebied, waarin nog een belangrijk deel van de afvoer van de Schelde via de Oosterschelde plaatsvond. Vanaf de haven van de stad Tholen kon men bij noordenwind en hoogwater met een klein plat schip nog pal zuid zeilen tot op de zeedijk van de oude Doelpolder (België), een afstand van ruim 22 km. Bij laag water lag de engte tussen Bergen op Zoom en Bath zo droog dat het mogelijk was hier te voet door heen te lopen, zoals bleek bij de ontzetting van het Fort Bath in 1809. Er was in de loop der eeuwen op deze plaats dus flinke aanwas van slikken ontstaan en het was slechts een kwestie van tijd alvorens deze bedijkt zouden worden. Begin negentiende eeuw was de zee-engte tussen Zuid-Beveland en Noord-Brabant, gemeten van de oostelijke punt van de Reigersbergsche polder tot aan de binnendijk van De Damespolder (Woensdrecht) nog altijd circa 3 km. Aan de Zeeuwsvlaamse kant werd het grootste deel van het Scheldewater in westelijke richting afgevoerd door de Westerschelde. De stroming was hier zo groot dat er zich geen drempels van enige betekenis hadden gevormd, hooguit enkele zandplaten die tot aan de kop van Ossenisse zich vooral in de lengterichting van de Westerschelde uitstrekten. Bovendien werd de stroming gevoed door een grote hoeveelheid water uit het Verdronken Land van Saeftinghe, dat zich nog tot over de Belgische grens uitstrekte tot bij de Doelpolder.

De YE36 levert een groep bezoekers af op Saeftinghe.

De Zuidbevelandse zijde, 19e en 20e eeuw.

De landschapsgeschiedenis van het oostelijke deel van Zuid-Beveland staat tijdens de negentiende en de twintigste eeuw in het teken van inpoldering en de aanleg van grote infrastructuren. Bedijken van schorren is een kwestie van tijd, waarbij de groeiende hoogte van het schor en de kwaliteit va de grond bepalend zijn. Een voldoende hoog liggend maaiveld is van belang in verband met de lozing van het binnenwater en de hoogte van de zeedijk in verband met het weren van het zeewater. De kwaliteit van de grond is bepalend voor de verbouw van landbouwgewassen in de nieuwe polder, immers bedijkingen voor 1960 stonden vrijwel geheel in het teken van de landbouw, waarvoor de vruchtbare kleibodems erg geschikt waren. Als we de draad van de bedijkingsgeschiedenis vlak voor 1800 oppakken, dan blijkt dat de in 1773 drooggelegde Reigersbergsche polder lange tijd de oostelijke begrenzing van Zuid Beveland is geweest. De zuidoostelijke punt van de polder was zelfs van strategisch belang, toen daar het Fort Bath werd gebouwd. Tegen het fort konden kleine schepen afmeren. De drooglegging van de Stroodorpepolder in 1808 en de Fredericapolder in 1846 was het logische gevolg van de voortschrijdende opslibbing van het schor in resp. de noordwesthoek  en in de zuidwesthoek van de Reigersbergsche polder. Riskanter was de drooglegging van de Eerste-Bathpolder, omdat deze in de zee-engte tussen Zuid-Beveland en Noord Brabant werd gelegd. De aanleg van de spoordam dwars door de zee-engte in 1867, leidde tenslotte tot een versnelling van het proces van opslibbing van de schorren. Immers, de spoordam maakte een eind aan de afvoer van Scheldewater naar de Oosterschelde. Na enkele decennia konden hier de Damespolder, Anna-Mariepolder, Völckerpolder, Hogerwaardpolder en de Kreekrakpolder worden gewonnen. Met uitzondering van de Anna-Mariepolder sluiten laatstgenoemde polders aan op de spoordam. Tussen 1773 en 1923 was er aan de zuidoostzijde van Zuid- Beveland 3556 ha land gewonnen. Overigens dient te worden opgemerkt dat de komst van de spoordam wel tot de aanleg van nieuwe waterwegen en spoorbruggen in Zuid- Beveland heeft geleid. Krachtens afspraken over de Westerschelde was Nederland immers verplicht de scheepvaart tussen onder meer Antwerpen en Rotterdam ongehinderd te laten. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Schelderijnverbinding aangelegd die het de binnenschepen mogelijk maakt om vanaf de noordelijke Zeeuwse binnenwateren tot op de rechteroever bij Antwerpen te komen. Een zijtak naar het westen, het zogeheten Bathse Spuikanaal dient als spuikanaal.

Emmahaven, ca. 1980. Springtij in combinatie met opstuwing door noordwesterstorm.

De Zeeuwsvlaamse oever

Rond 1800 had de Westerschelde in Saeftinghe vrij spel tot over de Belgische grens. Verscheidene geulen waren diep genoeg voor de binnenscheepvaart. Via de Saeftinghergeul of het Saeftinghergat konden schepen nog tijdens de zeventiende eeuw tot vlak bij de stad Hulst komen. De Vlaamsche Kreek is daarvan nog een restant. Tot aan de bedijking van de Saeftinghepolder kwamen vissersschepen nog tot in de haven van Nieuw-Namen. Deze plaats dankt zijn naam aan de in 1715 overstroomde Polder van Namen. En tot 1852 toen de Van Alsteinpolder werd drooggelegd, kwamen vissersschepen tot bij de inundatiesluis de Stenen Beer. Aan de Zeeuwsvlaamse kant begon de landwinning in 1805 met het droogleggen van de Saeftinghepolder. Voortschrijdende bedijking ging hier hand in hand met verdere opslibbing van de schorren voor de nieuwe zeedijk van elke drooggelegde polder. Na de strubbelingen tussen Nederland en in het 1831 zelfstandig geworden België kwam het bedijken van de polders in een stroomversnelling. Achtereenvolgens werden de Prosperpolder (1846), de Louisapolder (1847), de Van Alsteinpolder (1862) en de Kleine Molenpolder (1862) drooggelegd. Uiteraard is de inpoldering hier sterk bepaald door de ligging van de oude geulen en door de oude restanten van Saeftinghe die al sedert 1584 aan het beuken van de golven weestand hebben geboden. Bij al deze bedijkingen speelde het adellijke geslacht van Arenberg uit België een voortrekkersrol. Toen in 1907 de laatste grote polder, de Hertogin Hedwigepolder, werd bedijkt, kwam het proces van inpoldering tot stilstand. De familie Arenberg kwam na de Eerste Wereldoorlog ten val. Een nieuw initiatief zat er voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet meer in. Intussen was in het schor van het Verdronken Land van Saeftinghe een rijksdijk gelegd, waardoor de aanslibbing aanzienlijk werd bevorderd. Na de Tweede Wereldoorlog eisten de wederopbouw en de naweeën van de storm ramp (1953) alle aandacht voor zich op.

Beurtschip in Emmahaven, ca. 1920. Schipper Adrianus van Denderen voer voor eigenaar C. Van der Heijden. De Hengst K18 is van Vermeersen, mosselmannen van Nieuw-Namen.

Verder dan vage plannen tot verder bedijking van Saeftinghe kwam men niet. Bovendien bracht het op Deltahoogte brengen van de zeedijk veel onzekerheid. Het bleef bij de aanleg van de Selenapolder als inlaag, waarvan de dijk in 1990 overigens weer doorbrak. Een andere zelfs nog grotere onzekerheid was de komst van een eventueel Baalhoekkanaal, waardoor een deel van de bestaande polders en geheel het Verdronken Land van Saeftinghe een geïsoleerd eiland zou worden. Uiteindelijk bleef ook dat plan onuitgevoerd.

Binnenscheepvaart, visserij en haventjes aan de Zeeuwsvlaamse zijde

Het is bekend dat met name de kleine scheepvaart in het oostelijke deel van de Westerschelde werd bepaald door vissersschepen en door zogeheten steenschepen en rijsboten. De steenschepen waren vrachtboten die tot vlak onder de oever konden komen. Ze waren beladen met zware stenen die werden gebruikt om de zinkstukken op de vooroever te verzwaren en om de steendammen en steenhoofden voor de dijk te verstevigen. Voor de Zeeuwse waterschappen werden voortdurend lijsten gemaakt van deze schepen, zodat de polderbesturen wisten op welke schippers men een beroep kon doen tijdens het seizoen dat er aan de zeedijken, hoofden en op de vooroevers werd gewerkt. De rijsboten voerden rijshout aan uit Zuid-Holland. Het rijshout bestond uit lange wilgentenen. Het werd gebruikt voor het verstevigen van de zeedijken met rijsmatten en voor het maken van zinkstukken op de vooroever, die daarna met stenen tot zinken werden gebracht. Kortom, tijdens het zomerseizoen was het met dit soort schepen druk voor de zeedijken van de polders langs de Westerschelde. Maar er was meer. Sommige polders verpachten delen van de vooroever als visgronden. De vooroever of de slikken waren soms vele kilometers lang. Op zulke plaatsen gedijden mossels, kokkels en andere soorten, die voor de binnenvissers van groot belang waren. Probleem was wel, dat het vissen met netten niet de verdedigingswerken op de oever en bij de hoofden en dammen mocht beschadigen. We nemen als voorbeeld de visgronden van de Verenigende Polders van Ossenisse. Deze polder lag aan de Westerschelde tussen Ossenisse en het Hellegat. In 1890 verzochten de vissers Frederik, Frans en Leopold van Broek het polderbestuur om op de vooroever drie mosselbanken te mogen aanleggen. Het verzoek werd het drietal toegestaan en de mosselbanken strekten zich uit over een lengte van drie kilometer. In 1900 wilde ook schipper P. Broere uit Vlissingen op diezelfde plaats naar mossels en oesters vissen. Hij pachtte die plaats of een deel daarvan voor tien jaar. Nog meer gegadigden meldden zich, zoals schippers J. Goedemont en Seraphinus van der Heijden uit Nieuw-Namen. Zij pachtten een mossel- en oesterperceel van vierhonderd meter lengte. In 1928 wilde de firma Ph. Wijne-Rammeloo uit Philippine de vooroever van de Nijspolder gebruiken om naar mossels en oesters te vissen. Dit was echter een gedeelte met veenrestanten, de zogenaamde derriebanken. Al snel kwam de firma erachter dat dit soort visgronden totaal niet aan de verwachting voldeed en wenste nog datzelfde jaar zijn overeenkomst met de polder te beëindigen. In 1932 kregen W. en P. van Immerseel en J.F. Heijdens (Paal) toestemming om op de vooroever van de polder naar mossels en oesters te vissen. Uit deze voorbeelden blijkt hoe gunstig de vooroever rondom het Hellegat was. Daar lagen immers platen en slikken die voor de visserij naar schelpdieren geschikt waren. De polderbesturen naar het oosten tussen Walsoorden en Paal kregen nauwelijks verzoeken van vissers. Kennelijk was de vooroever er daar niet erg geschikt voor. De stroomgeulen liepen bij Walsoorden en Paal immers vlak onder de kust. De zandbanken midden in de Westerschelde, zoals de Plaat van Walsoorden, Platen van Valkenisse en het Konijnenschor en de Marlemontse Plaat vielen niet onder de bevoegdheid van de kustpolders, maar onder het toezicht van Rijkswaterstaat. Visserij te Valkenisse moet onaantrekkelijk zijn geweest vanwege de vele obstakels in de slikken die menig vissersnet vernield zullen hebben. Het is duidelijk dat de binnenschepen en de vissersbootjes hun thuishaven hadden in het gebied waar ze actief waren. Toen daar eind 19e eeuw ook het vervoer van suikerbieten nog bij kwam, dat vanaf de haventjes aan de Westerschelde (De Griete, Kampen tot 1926), Ossenisse, Walsoorden, Kruispolder, Paal, Emmahaven, etc.) moet het gedurende het eerste kwart van de 20e eeuw wel de bloeitijd zijn geweest van de kleine binnenvaartschepen. Uiteindelijk hadden de plannen voor aanleg van een Baalhoekkanaal geen invloed op de scheepvaart langs de kust van Saeftinghe en de Kop van Ossenisse. Het opruimen van diverse haventjes door het op Deltahoogte brengen van de zeedijk miste zijn invloed echter niet. Zo verdwenen Kruispolderhaven en Emmahaven. Alleen de handelshaven Walsoorden, de veerhaven Perkpolder en het haventje voor plezierboten bij Paal overleefden de twintigste eeuw. Laatstgenoemd haventje verving ook de Kruispolderhaven, die door het op Deltahoogte brengen van de zeedijk werd gesloten. Aanvankelijk zou dat in 1970 gebeuren, maar door onzekerheid over de aanleg van het zogeheten Baalhoekkanaal, werd het uiteindelijk 1978 tot de werkzaamheden in volle gang waren. Dat jaar viel ook het doek voor de Kruispolderhaven.

Besluit

Door twee eeuwen inpoldering in het oostelijk deel van de Westerschelde is de rivier hier erg versmald. De afsluiting van het Kreekrak met de spoordam tussen Noord-Brabant en Zuid-Beveland op de rechteroever en de snelle indijking van de schorren van Saeftinghe hebben ook invloed gehad op de verplaatsing en het verdwijnen van de kleine haventjes. Niettemin vormden de jaren 1890 tot 1940 ongetwijfeld de bloeitijd van de binnenscheepvaart met rijsboten en steenschepen en kleine vissersboten op de vooroever op zoek naar mossels en oesters. Maar intussen is de handelsscheepvaart teruggedrongen in een nauwe vaargeul die om het inmiddels hoog opgeslibde Verdronken Land van Saeftinghe heen loopt. En de aanleg van de Deltadijken betekende het verdwijnen van verschillende getijdehaventjes, zoals dat te Kruispolder in 1978.

Naam Zeeuwsvlaamse polders met bedijkingsjaar en grootte in ha

1805 Saeftinghepolder, 268

1846 Prosperpolder, 568

1847 Louisapolder, 253

1852 Alsteinpolder, 28

1862 Kleine Molenpolder, 599

1897 Koningin Emmapolder, 304

1907 Hertogin Hedwigepolder, 2455

Bijschrift bij de losse kleurenbijlage:

Uit de privéverzameling van J. van den Broecke, Veere. 

De topografische kaart van het oostelijk deel van de Westerschelde, naar de toestand van 1913. De spoorwegdam van 1867 is goed zichtbaar. De vaarweg naar Oosterschelde en Tholen was daarmee afgesneden. De Koningin Emmapolder is van 1897. Emmahaven, hier nog Haven van de Clinge genaamd, komt in 1898 gereed, maar is in 1952 al weer dichtgeslibd.

Door Adrie de Kraker

Jules van Beylen, oud conservator van het Antwerps Scheepvaartmuseum beschreef het opvallende feit dat een schipper uit Zeeuws-Vlaanderen, Petrus Praet, om de één of andere duistere reden een hengst liet bouwen bij Meerman te Arnemuiden, waar men het bouwen van een hengst helemaal niet vertrouwd was. Die duistere reden is ondertussen achterhaald maar daar over later. Petrus Praet registreerde zijn schepen te Clinge. Maar hoe zat het nu met Clinge, grootste "haven" in 1875? Er was niet eens een haven. De meeste vissers daar lagen overigens niet in een haven: ze hadden hun eigen paal in een kreek. Die havens werden enkel gebruikt voor laden en lossen of voor reparaties. Emmahaven was voor Clinge het dichtstbijzijnde haventje, zeker niet groot genoeg om er honderd hengsten in te proppen.

Piet Praet, visserman te Nieuw-Namen, ca. 1982. Zijn bijnaam is Piet Boem.

Frans Vergauwen uit Kieldrecht was ooit voorbestemd om visser te worden maar kwam uiteindelijk bij de Antwerpse haveninspectie. Hij kende de Schelde op zijn duimpje en was ook kind aan huis in het haventje van de paal. In 1956 schreef hij een werkje over Kieldrecht als vissersdorp en over de leurders. Bij de onafhankelijkheid van België werd Kieldrecht als het ware in twee gedeeld. Op een oude kaart staat Kieldrecht; het Nederlandse gedeelte is aangeduid als Kouter. Een Kouter was een hoger gelegen gebied langs de riviervallei. Later werd "de Kouter" omgedoopt tot Nieuw-Namen, verwijzende naar het verdronken dorp Namen. Hierna een korte versie van het verhaal van Vergauwen. In het gemeentewapen van Kieldrecht staat een bootje, met reden want rond 1800 was er een verbinding met de Schelde. In 1805 is de haven er verdwenen door het aanleggen van polders. Er was ooit een scheepswerf en een scheepssmederij. De Kieldrechtenaren hadden meer dan 100 vissersvaartuigen waarvan alle eigenaars te Kieldrecht of op de Kouter woonden - in primitieve woningen of hutten tegenaan de Scheldedijk. De Kouter behoorde aan drie gemeenten: de Kieldrechtse Kouter, waar de meeste vissers woonden, vast tegen de gemeente; de Meerdonkse Kouter, een uur gaans van Meerdonk en de Achterste Kouter, nu Nieuw-Namen, 6 km van Clinge-Zeeland. 1830 - 1839: Aan de vissers van de oproerige provincies werden geen consenten verstrekt daarom verhuisden veel Vlaamse vissers naar Zeeuws-Vlaanderen. Niettegenstaande dat door de indijking de haven verviel, werd er aan de rand van het water een andere haven aangelegd, die de naam "Kieldrechtse haven" kreeg.

Na de watersnood van 1906 werden Hengsten en Hoogaarzen ingezet bij het herstel van de dijken.

In 1884 werd er tussen België en Nederland een overeenkomst gesloten om de vissersvaartuigen die hun bedrijf uitoefenden op de Westerschelde te registreren: een "zeenummer" toe te kennen. De vaartuigen van Kieldrecht kregen een "K" deze van Nieuw-Namen "CLN" (gemeente Clinge) en die van meerdonk een "M". Door deze getroffen maatregel werden onder de vissers allerlei praatjes rondgestrooid. Volgens hun gezegden zouden de Belgische vissers benadeeld worden! (Dit is juist want ze mochten enkel op de Westerschelde vissen, niet op de Oosterschelde). Het gevolg was dat verschillende vissers zich te Nieuw-Namen lieten inschrijven of domiciliëren, waar anderen die in Kieldrecht of Klein Meerdonk bleven wonen, het Nederlands kenteken CLN aanvaardden. Daarvoor dienden er praktisch geen formaliteiten vervuld te worden. (In de consenten gaven al de onder CLN ingeschreven eigenaars zich op als woonachtig te Nieuw-Namen; ééntje gaf zich op als woonachtig te de Clinge). Toen op 4 december 1884 door de Belgische overheid aan de Belgische vissersvaartuigen de kentekens en nummers gegeven werden, lieten zich slechts negen vissers te Kieldrecht inschrijven. Van Meerdonk was er geen enkele en de overigen voerden het Nederlandse kenteken "CLN". Toen waren er meer dan 100 vaartuigen die uit Kieldrecht voeren. Een deel van de vangst werd er gelost en vooral opgekocht door leurders wonende te Kieldrecht op de Kouter. Meer dan 250 gezinnen, vissers en leurders, bestonden van deze nijverheid. De opbrengst der visserij bestond uit mosselen, garnaal, kreukels, krabben, oesters, paling, bot, ansjovis, haring enz…

Bij hoogwater worden mossels in zakken aangevoerd in de haven van Phillippine.

Langzaam ging de visserij achteruit, om redenen dat de Westerschelde minder visrijk werd. Haring en ansjovis verminderde van jaar tot jaar, waardoor de weervisserij op de randen van Saeftinghe verdween. Mosselen trekken op de dammen of kreken in die omgeving werd steeds moeilijker. Geleidelijk verkleinde de vissersvloot en degenen die uit het bedrijf vielen, gingen een bestaan zoeken op de sleepboten, bagger- of waterwerken. Plaatsen waar de visserij (vanuit Kieldrecht) werd beoefend: garnaal: Speelmansgat, De Noord, langs het vaarwater van Valkenisse en Walsoorden, Waarde en de Kapellenbank - mosselen: Hellegat en Oosterschelde - kreukelen Oosterschelde - krabben: langs de steile oevers van Margaretapolder, Eendrachtpolder, Ossenisse, Walsoorden en in het Speelmansgat - bot en paling: op de slikken en de geulen van Saeftinghe - ansjovis en haring: deze soort visserij was reeds vervallen. Het typische van vissers uit die tijd was anders dan dit van de mensen uit hun omgeving. Alhoewel zij veel omgang hadden met hun Zeeuwse collega’s, hadden zij heel andere gewoonten. De Zeeuwen waren doorgaans stil en zacht, zij daarentegen luidruchtig en iets ruwer in hun doeningen. Zeden en gewoonten geleken meer op deze in zwang aan de Belgische kust, niettegenstaande zij nooit met hen in betrekking kwamen. Dronkaards waren het niet, nochtans dronken ze gaarne bier, hielden veel van plezier en waren felle dansers, terwijl zij ook niet zwichtten om een leugentje te vertellen.

Er bestond in die tijd een liedje:

Te Kieldrecht, te Kieldrecht, daar zijn de meisjes koene:

zij vrijen tot de middernacht en slapen tot de noene.

Ik maai, is dat niet fraai? En slapen tot de noene.

In het verslag van Frans Vergauwen staat een aantal sterke verhalen van vissers en leurders. Daaruit blijkt dat zij behalve in hun eigen streek (Saeftinghe, Hellegat en Braakman) ook regelmatig op o.a. de Krammer, de Oosterschelde en de Grevelingen visten. Ze meerden ook af in havens als Zierikzee en Bergen op Zoom. Rond 1910 was de Kieldrechtse vloot tot 81 eenheden gereduceerd, waarvan 66 "uitgevlagde" schepen die geregistreerd waren te Clinge (CLN), 12 schepen te Kieldrecht (K) zelf en 3 schepen te Meerdonk (M). In het werk van Vergauwen is een lijst met alle vaartuigen, de namen van de schippers en hun bijnaam. Wanneer we uit die lijst één naam mogen uitkiezen komen we bij P. Praet, bijgenaamd De Vos, van de CLN 17. De man dus die "om één of andere duistere reden" een hengst liet bouwen te Arnemuiden. Eén van zijn nazaten, Piet Praet, woont te Antwerpen. Piet is bezig met een stamboom van de familie en ontdekte dat Petrus twee keer getrouwd is geweest. Alvorens te hertrouwen wilde hij voor ieder van zijn zonen nog een hengst laten bouwen en daar was blijkbaar haast bij! Verras en de Klerk moeten toen een vol orderboekje hebben gehad want in 1892 werd de bewuste hengst te Arnemuiden "aangenomen om te maken volgens model en grootte als die van zijn zwager, daarvan de maat genomen en Malle naar gemaakt". De tweede hengst kwam uiteindelijk in 1894 gereed bij de Klerk. In de eerste wereldoorlog werd er door de Duitsers op de Belgische - Nederlandse grens een "ijzeren gordijn" gebouwd: te vergelijken met schrikdraad maar dan wel onder hoogspanning. De draad aanraken was dodelijk. Deze liep ook dwars door het dubbeldorp Kieldrecht - Nieuw-Namen. De Kieldrechtenaren met het registratienummer CLN hadden nog geluk. Zij konden in de oorlog met hun schepen uitwijken naar Zierikzee. Daar wonen nu nog vissers met de naam Praet, evenals te Breskens. Van de schepen met een K vinden we aan het einde van de oorlog in 1918 in de consenten nog slechts twee scheepjes terug: een vaartuig en een boot. Kort na de tweede wereldoorlog kregen de naar Nederland uitgeweken Kieldrechtenaren de mogelijkheid om zich weer tot Belg te laten naturaliseren. Onder andere Piet Praet maakte hier gebruik van.

Watersnood 1906. Hengsten voeren materiaal aan voor de hulpdijk bij Zandepolder.

Het einde

De vissende hengsten zijn uit de Scheldedelta verdwenen. Die van Boekhoute die naar Zeebrugge waren getogen, visten er oorspronkelijk nog mee op mosselzaad (ze werden mosseldieven genoemd); ze brachten hun vangst naar Yerseke. Maar de hengst was niet geschikt voor het varen op de Noordzee en ze werden al gauw vervangen door andere scheepstypes. Bij de modernisering van de vloot in bijvoorbeeld Yerseke werden de hengsten en hoogaarzen overbodig. Ze kostten alleen maar (haven)geld. Dus werden ze onttakeld en naar het "scheepskerkhof" gebracht: geladen met stenen en boven een diepe geul werd de bijl er in gezet… Gelukkig konden sommige vissers hun scheepjes nog aan een particulier verkopen die daar meestal een kajuitje op bouwden. Zo werd de blazerhengst d'n Bruinen begin jaren zestig toevallig opgemerkt door Frans Eisenloefel op de Vinkeveense Plassen: een soort drijvend vakantieverblijf aan een eilandje: zonder mast en zonder zwaarden. De vorige eigenaar is helaas niet gekend. En in 1980 vond Cor Drijver de hengst Pegasus behoorlijk verwaarloosd in een slootje te Leiden. Hij wist als geboren Texelaar dat het om een hengst ging want hij had "die dingen" in zijn jeugd vaak genoeg op de Wadden mosselzaad zien vissen. De laatste originele hengsten: TH 49: eigendom van de Stichting Behoud Hoogaars, op het droge op de werf De Schelde te Vlissingen in afwachting van restauratie. Pegasus: eigendom va de Stichting Tolerant, op het droge achter het Scheepvaartmuseum te Baasrode in afwachting van restauratie. Jan Korneel: particulier bezit, in de vaart. Jonghe Joseph: particulier bezit, in de vaart.

Fragment van de Visscher-Roman kaart, naar de toestand van 1652. Kieldrecht was bereikbaar over water, door de Kreecke van Kieldrecht. Zie ook de dan al ingepolderde Deurganck naar het oosten.

Tenslotte nog even vermelden dat er ook geëxperimenteerd werd om de schepen sneller te maken. Dit gebeurde door de goede eigenschappen van twee scheepstypes met elkaar te combineren. Zo kreeg men een nieuw type schip (door sommige ook wel een bastaard genoemd). Van dit soort schepen resteren er nog: D’n Bruinen, blazerhengst, eigendom van de Stichting Tolerant, in de vaart. De Elft, lemmerhengst, particulier bezit, in de vaart. De Marie Thérèse, lemmerhengst, particulier bezit.

Door Frank Lok

Jaarlijks bezoekt juf Christine van "De Kreek" te Kieldrecht de Meester van der Heijden groeve in Nieuw-Namen met haar klas. De kinderen zijn bijzonder geïnteresseerd, want de juf heeft ze voorbereid, dat merk je vlug. Als je als kind zelf het zandgelaag gekend hebt, dan weet je dat je hier veel kunt zien. Kinderen zijn vindingrijk en met hun nog scherpe ogen en dicht tegen de grond, zien ze méér van de natuur dan volwassenen. Zo staren ze naar muggenlarven, pissebedden, duizendpoten en verschillende slakken. Ze luisteren aandachtig naar het verhaal van het ontstaan van onze oeroude heuvel en kijken naar de lagen met de vele fossielen. Er werd verteld hoe de mensen deze put hebben gemaakt in 1948, vóór de aanleg van de Arenberg in Kieldrecht. En hoe het kon gebeuren dat toen de bewoners de put gebruikten voor het huisvuilstort! Het is nu een geologisch monument geworden, zeer uniek, want vele wetenschappers komen naar de groeve kijken. Vorige woensdag was het de klas van juf Christine, morgen toeristen of een klas uit het middelbaar onderwijs. Maar voor de kinderen is het bijzonder. En dat in onze eigen omgeving, aan een rustig paadje waar rust en stilte nog heerst. Alle kinderen konden een stukje ijzeroersteen meenemen en een boekje over de natuur.

Door Richard Bleijenberg

2003.07.08 BN De Stem: Kerkpad Nieuw-Namen levensgevaarlijk

NIEUW-NAMEN - Het Kerkpad in Nieuw-Namen is levensgevaarlijk voor fietsers en voetgangers. Automobilisten negeren massaal het verbodsbord.

Volgens Richard Bleijenberg, beheerder van de nabij gelegen groeve, heeft de dorpsraad geen oog voor de problemen. Uit onvrede is hij vorige week uit de dorpsraad gestapt. "Ik heb geen zin me door een Belgische automobilist omver te laten rijden. En kijk hier, een enorme kuil in de weg. Daar past een half fietswiel in. Levensgevaarlijk voor fietsers." Bewoners van het Kerkpad in Nieuw-Namen willen daarom dat de gemeente eindelijk iets doet aan deze verkeersonveilige situatie in de straat. Zij hebben gisteren een aangetekende brief naar de gemeente gestuurd nadat een eerder schrijven op het stadskantoor 'zoek' is geraakt.

Smal

Het verbodsbord voor auto's staat in het smalle gedeelte van 1.80 meter breed. Dit verbod wordt volgens Bleijenberg echter massaal genegeerd door automobilisten. Het Kerkpad is onderdeel van de fietsroute Hulsterloo. Ook wandelen veel mensen over het Kerkpad naar de groeve. "Deze zaak speelt al anderhalf jaar, maar nog steeds is niets gedaan", zegt Bleijenberg kwaad. De bewoners vragen de gemeente het verbodsbord te vervangen door een demontabel paaltje. "Ik vroeg vorige week tijdens de vergadering van de dorpsraad aan wethouder De Deckere of hij de brief van de bewoners al had gelezen. Hij was echter niet op de hoogte van de brief. Die is dus klaarblijkelijk zoekgeraakt. Vandaar dat de bewoners wederom een brief hebben gestuurd, maar nu aangetekend. Kijk, de meeste bewoners van het Kerkpad zijn oude en bescheiden mensen en dus niet zo gewent actie te voeren. Vandaar dat ik het maar voor hen opneem."

Kwaad

Bleijenberg was tot vorige week nog lid van de dorpsraad maar is daar inmiddels uitgestapt. "De dorpsraad heeft weinig oog voor de problemen van de bewoners van het Kerkpad. Daar ben ik heel kwaad over. De dorpsraad maakt het moeilijk voor deze mensen. Ik laat het er in ieder geval niet bij zitten." Het steekt Bleijenberg dat de dorpsraad zich wel sterk maakt voor extra parkeerplaatsen op het terrein achter de kerk. "Ik vraag me echter af of je in de pastorietuin zomaar een parking kunt aanleggen." In een extra vergadering van de dorpsraad vorige week zijn door wethouder E. de Deckere twee plannen met betrekking tot het Kerkpad uit de doeken gedaan. Het eerste plan gaat om acht nieuwe parkeerplaatsen bij het kerkhof. De nieuwe parking wordt zo ingericht, dat ook ouderen gemakkelijker kunnen in- en uitrijden. Volgens voorzitter Frans Michielsen van de dorpsraad kwam de behoefte naar extra parkeerruimte naar voren in een enquête van de dorpsraad in 2001. Er wordt rekening gehouden met het behoud van de huidige verkeerssituatie in het smalle deel van het Kerkpad.

Wensen

Volgens Michielsen komt dit tegemoet aan zowel de wensen van de inwoners, van de gemeente en van de dorpsraad. Bleijenberg bestrijdt dat. "Handhaving van de verkeerssituatie is niet de wens van de bewoners van het Kerkpad. Zij willen passende maatregelen om het doorgaande autoverkeer uit het Kerkpad te weren." Wethouder De Deckere kondigde in de vergadering van de dorpsraad ook aan dat op het braakliggende deel van het Kerkpad aan de Koningsdijk ook extra parkeergelegenheid komt, omgeven door groen.

Richard Bleijenberg staat op het Kerkpad in Nieuw-Namen, waar de auto’s soms overheen scheuren. Foto Wim Kooyman

Door Frank van Cooten

2003.07.15 De Wase Koerier: Kerkpad Nieuw-Namen

Reeds vele jaren is er herrie over het al dan niet toelaten van auto’s in de Kerkpad te Nieuw-Namen. Op 25 mei 1989 werd de toenmalige voorzitter van de dorpsraad, die tevens raadslid was, fors teruggefloten voor het weghalen van het huidige verkeersbord voor auto’s. Wethouder G. van de Voorde liet het laatste woord aan de bewoners zelf door hen te laten stemmen. En de Kerkpad is gebleven zoals het nu nog is. In een kernbeschrijving over ons dorp (Scoop Nieuw-Namen) zag ik op blz. 13 dat er sprake was om van de Kerkpad eenrichtingsverkeer te maken. In de vergadering met Burgemeester en Wethouders kwam dit punt naar voor. Zelf heb ik duidelijk mijn opmerkinggemaakt: dat dit niet kon want er was een gemeentelijk besluit. Het zou allemaal nog eens bekeken worden. Maar in een vergadering op 10 december 2002 zag de Dorpsraad nog maar eens de kans om dit punt aan te halen: "De Kerkpad afsluiten met een demontabel paaltje was een persoonlijk profijt voor mezelf." Maar dit zou moeten kunnen omdat de verbodsborden genegeerd worden en dat betekent een gevaar voor de bewoners van het smalle gedeelte. Ook de fietsers van de Hulsterloo route hadden al bijna een ongeluk en daar zijn wij als directe bewoners de beste getuigen van. Op 28 maart schreven enkele bewoners uit het smalle gedeelte van de Kerkpad een brief naar Burgemeester en Wethouders te Hulst met als onderwerp “het autovrij houden van het Kerkpad”. Het werd door alle bewoners ondertekend. Uit beleefdheid werd er ook een kopie naar de Dorpsraad verstuurd en dit alles per aangetekend schrijven. Zeer kort daarna stuurde de Dorpsraad een brief naar de gemeente met de opmerking dat het ging om parkeerplaatsen voor oudere mensen. Waarschijnlijk is daarvoor onze kernvraag geseponeerd! Het werd ons nog maar eens zeer duidelijk dat de brief over de veiligheid in het smalle gedeelte onbekend was voor de Wethouder die daar verantwoordelijk voor is. In de vergadering van 2 juli 2003 bleek dat de Wethouder de brief nooit gezien had! Er komt natuurlijk een nieuwe aanvraag naar de gemeente Hulst voor onze veiligheid. Een kopie aan de Dorpsraad zullen we maar niet doen. En als de Dorpsraad een parkeerterrein wil in de pastorietuin, dan zullen zij dit zelf moeten bekend maken. Zelf heb ik mijn Dorpsraadlidmaatschap opgezegd. Ik was vertegenwoordiger van de groeve en die wordt nu ook al bedreigd door passerende auto’s. De beheerder van het kerkhof nota bene, was ook niet uitgenodigd en dat vind ik ook niet normaal.

Door Richard Bleijenberg

2003.08.04 BN De Stem: Oude grenspaal duikt op in Nieuw-Namen

NIEUW-NAMEN - Aan de Lage Wegel, een historisch, maar gedeeltelijk omgeploegd akkerpaadje in Nieuw-Namen, is een stokoude grenspaal aan het licht gekomen. Het is geen gietijzeren grenspaal in de karakteristieke klokvorm met wapens van Nederland en België, maar een stenen paal van arduin. De paal steekt nog geen centimeter boven het Kauterse 'rost zand' uit en markeert het begin van de Lage Wegel, een paadje dat de Koningsdijk vroeger verbond met de Hulsterloostraat. Landeigenaren gaven elkaar via het paadje een uitweg, over hun eigen land.

Door Sheila van Doorsselaer

2003.08.09 BN De Stem: Flipper blijkt tweeslachtig

Autopsie op populaire Westerscheldedolfijn brengt rariteit aan het licht.

ANTWERPEN - Een autopsie op de populaire 'Westerscheldedolfijn' of de 'Dolfijn van Boei 17', die drie maanden geleden dood aanspoelde, heeft uitgewezen dat het dier een hermafrodiet (tweeslachtige) was. Waarschijnlijk sleet 'het' daarom zijn leven in eenzaamheid aan boei 17. De Westerscheldedolfijn vermaakte vorige zomer nog honderden toeristen door hoog uit het water te springen aan boei 17 ter hoogte van 's Gravenpolder (Zeeuws-Vlaanderen). Daar dankt hij zijn koosnaampje aan. Het dier bezocht enkele keren de grote Antwerpse sluizen en Zandvliet. In april dacht een wandelaar dat hij een dood varken zag liggen bij Saeftinghe. Het was echter de Westerscheldedolfijn. "Zonde, want er zijn genoeg varkens. Maar dolfijntjes...", merkte de ontdekker (Richard Bleijenberg) toen sip op. Onderzoek door deskundigen van het nationaal natuurhistorisch museum Naturalis in Leiden heeft nu uitgewezen dat de overleden dolfijn een hermafrodiet was. Het had een vrouwelijke geslachtsopening, maar op de plek waar gewoonlijk de clitoris zit, zat een kleine penis van vijf centimeter. Binnenin had de dolfijn geen baarmoeder, maar twee slecht ontwikkelde testikels. Of het door de watervervuiling komt is onduidelijk, maar de dolfijn was ook spiegelbeeldig gebouwd. De linkerleverlob zat rechts en het hart wees naar rechts, terwijl dat omgekeerd hoort. "Tot nu toe is de Westerscheldedolfijn het raarste beest dat ik ooit op mijn snijtafel kreeg", zegt zeezoogdierenconservator Smeenk van Naturalis.

Mislukt jongetje

Zijn geaardheid als 'mislukt jongetje' verklaart wellicht waarom de dolfijn anderhalf jaar in zijn eentje in de Westerschelde ronddoolde. Natuurliefhebbers vonden het al zo gek dat hij niet in groepsverband leefde. Ze veronderstelden dat deze Flipper heel eenzaam was, omdat hij steeds zo hoog uit het water sprong, tot groot jolijt van de mensen aan wal. Normaal springen dolfijnen uit het water om soortgenoten te lokken, maar de Westerscheldedolfijn had geen maatjes. De 'Dolfijn van Boei 17' mag niet worden verward met Leo, de reislustige dolfijn die zich vorig jaar gewillig liet aaien in de Antwerpse haven. Over Leo is er gelukkig beter nieuws bekend. Leo (of Dony) werd op 5 augustus gesignaleerd in La Turballe in de Franse Loirestreek, waar hij de toeristen animeert. Plaatselijke kranten publiceerden de voorbije dagen foto's van een dolfijn die vrolijk met de badgasten stoeit langs de kustlijn. Er bestaat geen twijfel dat het om Leo gaat, want het dier vertoont eenzelfde groot litteken aan de rugvin.

Door Kristin Matthyssen

Pagina 4 van 7

Zoeken

Het Weer

Scattered Showers

13°C

Paal, Nederland

Scattered Showers

Humidity: 82%

Wind: 6.44 km/h

  • 22 Apr 2018

    Scattered Showers 23°C 10°C

  • 23 Apr 2018

    Mostly Cloudy 16°C 10°C

Ga naar boven