1993.06.26 BN De Stem: Een eigenzinnig vogelparadijs

Het is moeilijk voor te stellen. Ooit blonk in Saeftinghe het goudgeel golvend graan. Nu alweer vier eeuwen Verdronken Land. Het grootste brakwaterschor van West-Europa, waar een mozaïek van grijs en groen overheerst. Zo’n 3.000 hectare buitendijks gebied van overwegend weke modder, doorsneden door grillige kreken. De werking van eb en vloed is nadrukkelijk aanwezig. Zo moet het Zeeuwse oerlandschap eruit hebben gezien. Uiteraard zonder horizonten vol rokende tekens van menselijk handelen. De schorren in het oostelijk deel van de Westerschelde zijn in de Middeleeuwen ingepolderd. Ze behoren tot de oudste bedijkte gebieden in het zuidwesten. Monniken van de abdijen Ter Duinen en Ter Doest - grondleggers van het tegenwoordige Zeeland - gingen omstreeks 1231 als eersten aan de slag. De mensen in Saeftinghe maakten er wat van. Er ontstonden in elf polders vier dorpen: Weele, Casuweele, Namen en Sint Laureins. Hard ploeteren om enige welvaart te bereiken. Met de zee, die almaar hoger kwam, als nimmer aflatende vijand. In de tweede helft van de zestiende eeuw ging het mis. Stormvloeden teisterden het jonge polderland. Vooral die van 1570 en 1574 hielden huis. Ook de strijd tussen Nederland en Spanje - de Tachtigjarige oorlog - speelde een rol. Landerijen werden uit militaire overwegingen onder water gezet en wel op de eenvoudigste manier: door in 1584 de dijken te vernielen. Saeftinghe weer terug naar af. De hoger opgeslibde gronden konden opnieuw worden bedijkt. Niet voor lang. In 1717 ontstond definitief het Verdronken Land van Saeftinghe. Natuurlijk hebben de mensen, behept met grote landhonger, het ondergelopen land niet helemaal met rust gelaten. Ze hebben opnieuw stukken land drooggelegd, met name aan de zuidkant. Als laatste in 1907 de Hertogin Hedwigpolder. Door de komst van het Engelse slijkgras, omstreeks 1933, versnelde het aanslibbingproces sterk. De inpolderaars zagen er brood in: heel Saeftinghe terugwinnen. Om de aanslibbing extra te bevorderen werd in 1937 de Rijksdam aangelegd. Volledige herdijking ging toch niet door, onder meer door verzet van de Belgen die Saeftinghe als vloedberging wilden houden. Pas na de Tweede Wereldoorlog (1950) is definitief een streep gezet onder de inpolderingsplannen. Het Verdronken Land mag Verdronken blijven. Geen nederlaag voor de mens, maar een bewuste keus. Inmiddels is Saeftinghe beschermd natuurmonument (1974). De cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarde - zowel nationaal als internationaal erkend - zijn groot. Dat komt door de grote oppervlakte en dankzij de langdurige ongestoorde ontwikkeling van 400 jaar. Het typerende systeem van oeverwallen en kommen is nog volledig aanwezig. Op grote schaal is te zien hoe de vorming van de Zeeuwse eilanden zich eeuwenlang heeft voltrokken.

Vogelparadijs

Uitgestrekte schorren waardoor diepe kreken met steile oevers lopen. Soms enkele honderden meters brede geulen, soms nauwelijks waarneembare prieltjes in de kommen. De lage oeverwallen en kommen verdwijnen bij vloed onder water. Bij eb vallen de grote onbegroeide zand- en slikplaten droog. Dan staan de kreken bijna leeg; water is alleen in slingerende ebstroompjes aanwezig. Een paradijs voor de vogels - zeker nu jacht in het hele gebied taboe wordt. Een paradijs ook voor natuurliefhebbers, die niet uitgekeken raken op het rijke leven in Saeftinghe. Boeiende ontmoetingen met flora en fauna, met het verleden. De Dienst der Domeinen heeft Saeftinghe in beheer gegeven aan de Stichting Het Zeeuwse Landschap. Lange tijd vormden particuliere gronden, 543 ha groot, een bijzondere enclave. Tot de Eerste Wereldoorlog eigendom van de Duitse adellijke familie Von Arenberg, daarna ondergebracht in buitenlandse vennootschappen. De natuurbescherming had er geen greep op. De huidige eigenaar, de besloten vennootschap De Westerschelde, met de Belg De Cloedt als voornaamste aandeelhouder, wil zijn bezit voor 3,3 miljoen gulden verkopen aan Het Zeeuwse Landschap. Met veel overheidssteun en een grote eigen inbreng - de stichting moet f 825.000, - zelf op tafel leggen - lukt dat. Onderdeel van de aankoop is de in 1990 ondergelopen Selenapolder. Zeker in de winter domineren de tienduizenden watervogels. Ganzen en eenden voeren de boventoon. De grauwe gans is het talrijkst. Op zijn menu staan de knolletjes in de zeebiezenvelden. De smient kan met vele duizenden aanwezig zijn. Er is een telling bekend van 24.000 pijlstaarten op één dag. Dat is een kwart van de wereldpopulatie. Roofvogels profiteren van de dichte bezetting in Saeftinghe. De indrukwekkende zeearend is gesignaleerd. De slechtvalk, onstuimige en krachtige jager, is present. Zowel blauwe als bruine kiekendief cirkelen winter en zomer rond, op zoek naar prooien. Meeuwen zijn er het hele jaar volop. In 1992 werden 44 soorten broedvogels waargenomen; in herfst en winter zijn 52 soorten watervogels gezien.

Beweiding

De plantenwereld in Saeftinghe is niet grauw en onbestemd groen, maar zeer gevarieerd. Bronsgroen zeldzaam nopjeswier op de kreekoevers. Uitbundig bloeiende paarse zeeastervelden op de schorren. In de lente lepelblad met witte trossen. Op de plaatsen waar beweid wordt zijn de meeste planten te vinden. Kweldergras en roodzwenkgras. Ook zeekraal, schorrekruid, melkkruid en gerande schijnspurrie met tere roze bloempjes. Op de hogere oeverwallen, breidt zeealsem met sterk geurende bladeren, zich uit. De schapen mijden deze plant. Begrazing door schapen en runderen is nodig om verruiging tegen te gaan en Saeftinghe in conditie te houden als broed- en foerageergebied. Het verdronken land is een belangrijk voedselgebied en kinderkamer voor vissen, garnalen en krabben. Dat heeft alles te maken met de rol die Saeftinghe speelt als bezinktank voor dood organisch materiaal. Voedselbron voor dieren in de schorbodem, zoals slikkreeftjes, wormen en zagers en voor dieren die zich net boven de bodem ophouden, zoals aasgarnalen, vlokkreeften en pissebedden. Vissen, garnalen en krabben, die bij hoogtij het schorgebied bezoeken, varen er wel bij. Ongeveer 30 soorten komen er regelmatig voor, waaronder bot, brakwatergrondel, driedoornige stekelbaars, kleine zeenaald. De inpolderingsdrift van de mens is voor Saeftinghe beteugeld. Andere bedreigingen zijn ervoor in de plaats gekomen. Vanuit België de zeer ernstige vervuiling. Het verdronken land is bedekt met een dikke laag slib dat een vuilverwerker ongetwijfeld als chemisch afval zal aanmerken. De verlanding - het ophogen van schorren en platen en het ondieper worden van de geulen - zet versterkt door en dreigt het karakter van Saeftinghe ingrijpend te veranderen. In het huidige tempo zijn de geulen in 2010 dichtgeslibd. Ernstige gevolgen voor vogels en vegetatie en aanzienlijk minder komberging, dus grote kans op natte voeten in Vlaanderen. Het graven van een Baalhoekkanaal langs/door het natuurgebied is nog altijd niet van de baan. De Belgen bagatelliseren de gevolgen graag; de nadelen zijn groot. Wat gebeurd er als de door Antwerpen zo vurig begeerde verdieping van de Westerschelde doorgaat? Is er dan nog wel sprake van een door de natuur gedicteerd dynamisch proces van eb en vloed? Op welke manier moet de vervuiling worden aangepakt? Saeftinghe afschrapen of het vuil met een mantel van schone slib bedekken? In vroeger tijden brak de mens zich het hoofd over de snelste en goedkoopste wijze om het intergetijdengebied aan de boorden van de Westerschelde in te lijven. De aard van de problemen is veranderd, maar Saeftinghe blijft de mens voor hoofdbrekens plaatsen. Zoals past bij een eigenzinnig natuurgebied, met per jaargetijde een wisselend gezicht.

Door Rinus Antonisse

1993.06.26 BN De Stem: Saeftinghe

De sirene roept uit IJskelder en Rotte Geul

Richard Bleijenberg uit het grensdorp Nieuw-Namen struint al bijna een halve eeuw de schorren en slikken van Het Verdronken Land van Saeftinghe af. Als hij een paar dagen niet ‘over de dijk’ is geweest, begint het lijf te kriebelen en het bloed te borrelen. Saeftinghe roept en Bleijenberg kan die lokroep niet weerstaan. Niet dat hij dat zou willen overigens. Hij laat geen gelegenheid voorbij gaan om de lof van het brakwatergebied te zingen. Als gids van Het Zeeuwse Landschap, beheerder van Saeftinghe, heeft hij de gelegenheid om zijn lofzang aan vele mensen te laten horen:  als een sirene lokt hij ze mee naar Rotte Geul en IJskelder…

Richard Bleijenberg plukt een minuscuul plantje tussen het slijkgras van het schor uit. In een plasje water trekt hij het plantje langzaam aan zijn steeltje naar beneden. Net voor het water de bloemkroon bereikt, sluiten de lichtroze blaadjes zich. De oplossing van de natuur tegen de golf zout water die de grote schijnspurrie bij elke vloed overstroomt. Groep acht van de Terneuzense basisschool Op de Hoogte kijkt ademloos toe. Wat knap van zo’n pietepeuterig plantje om net op tijd de deur dicht te doen. Bleijenberg maakt handig gebruik van de verbazing van de negen schoolkinderen om hen een moralistische levensles mee te geven. "Jullie hebben net een wonder gezien. Een klein plantje dat zichzelf beschermd tegen de zee. Twee keer per dag. Maar je moet het wèl zien. Als je goed kijkt en die kleine, mooie dingen ziet, ben je pas een rijk mens. Niet als je alleen de belangstelling hebt voor gouden sieraden en grote, dure apparaten die moeilijk af te betalen zijn." De leerkrachten Sonja de Mul-van Hest en Frank Boussen horen de preek geamuseerd aan. Het is intussen al traditie om met groep acht tijdens het ‘afscheidskamp’ een halve dag het schor in te trekken. Een rondleiding door Bleijenberg beviel een jaar of wat geleden zo goed dat Op de Hoogte direct contact met hem opneemt voor de rondgang door het schor. “Bleijenberg weet niet alleen alles over het natuurgebied, hij weet het ook nog zo te brengen dat hij de aandacht van de kinderen drie, vier uur lang vasthoudt”, verklaart Boussen. De Saeftinghe-gids heeft er ook plezier in om de scheidende leerlingen van Op de Hoogte rond te leiden. De rooms-katholieke school uit Terneuzen is niet zo groot en het is voor de gids wel eens prettig om zijn verhaal niet op een, al dan niet gemêleerd, gezelschap van dertig of veertig mensen te hoeven afstemmen. Negen leerlingen, twee leerkrachten, de dochter van directrice De Mul en een verslaggever; een overzichtelijk groepje. De geheimen van het verdronken Land heeft hij al duizenden keren, gedeeltelijk ontsluierd. Toch is Richard Bleijenberg iedere keer opnieuw even enthousiast en ook bij de leerlingen van Op de Hoogte weet hij weer de juiste snaar te raken. Hij voert de ‘milieubeheerders van de toekomst’ weliswaar een aantal levenslessen over de natuur, maar zorgt er voor dat het niet al te belerend wordt. Van de overdreven zorgzaamheid van de ‘groene jongens’ van de milieubeweging moet hij niet veel hebben. Als Bleijenberg zijn gasten uitleg geeft over het blad van de zeebies, de ‘deodorantgeur’ van de zee-alsem of de smaak van de zouterik, dan plukt hij een paar plantjes en laat de mensen ruiken en proeven. “Volgens de groene jongens ben ik dus geen goede gids, want je mag niks plukken. Maar ach, die paar plantjes komen wel weer terug. Het schor is tenslotte geen dood museum, het leeft”, zegt de natuurmens. Overal in Saeftinghe is te zien dat Bleijenberg gelijk heeft. Zelfs die op het eerste gezicht vervuild lijken, zijn voorbeelden van de kringloop van het leven. “In de groene en bruine smurrie die zich aan de boorden van de geulen ophoopt, zitten algen. Voedsel voor garnalen, krabben en springstaarten, beestjes die op hun beurt weer worden opgevreten door andere beesten. De plasjes olievlekken die op het water drijven zijn ijzerhoudende bacteriën. Daardoor komt er een soort metalen plaatje op het wateroppervlak.  Een plaatje dat zo dun is dat de mens het nooit kan namaken.” De planten werken ook als ‘vervuilingsmeters’. “Kijk, de punten van de zeebies hier zijn bruin. Dat is niet omdat het plantje te weinig water krijgt, maar de top is gewoon verbrand door de gassen en andere stoffen die de fabrieken uit het Antwerpse havengebied uitstoten”, legt Bleijenberg uit. Vanuit Antwerpen komt meer rotzooi Het Verdronken Land binnen. Via de Westerschelde natuurlijk, maar ook via de ‘Luchtpiraat’ van Saeftinghe: de zilvermeeuw. Tureluurs, scholeksters, grutto’s en kiekendieven scheren krijsend over de schorren en slikken. Maar het meeste leven maken de zilvermeeuwen, de enige vogels waar Bleijenberg niet enthousiast over kan worden. De alleseters vinden in Antwerpen makkelijk voedsel. Met duizenden tegelijk zwermen ze rond bij de slachthuizen in de havenstad. De buit nemen ze mee naar Saeftinghe, zodat afgekloven kippekoppen, botjes, braakballen en ‘andere zaken die hier niet thuishoren’ op zandplaten in de zon liggen te rotten. In het recente verleden leidde dat enkele keren tot ‘gelukkig beperkte’ vogelsterfte door botulisme, herinnert de gids zich.

Graftombes

Bleijenberg ziet de picknickplaats van de meeuwen liever niet uitgroeien tot grafveldje. Maar eind vorig jaar was hij razend enthousiast toen hij aan de rand van de IJskelder een aantal geraamtes aan de oppervlakte zag komen. Onderzoek van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek wees uit dat de opgegraven grafresten uit de elfde eeuw dateerden. “Tot dan toe dateerden de oudste vondsten van menselijk leven uit de dertiende eeuw. De vondst van graftombes heeft Saeftinghe dus in één klap tweehonderd jaar geschiedenis opgeleverd.” Van de graven is intussen al bijna niets meer terug te vinden. Bleijenberg: “De Westerschelde is het voormalige grafveld, waarschijnlijk van het toenmalige dorp Weele, dicht genaderd en vandaag of morgen zal de hele begraafplaats wel in de rivier verdwijnen. Door de zuurstof die er nu bijkomt, vergaan de doodskisten snel, maar de botten van de geraamtes worden misschien volgende maand al door baggerschepen opgezogen.” De dood trekt zich dus weer eens terug uit Het Verdronken Land. Nieuw leven stroomt de geulen weer in. Bleijenberg heeft onlangs voor het eerst sinds jaren strandgapers gezien. “Zékers noemen wij die hier. Als klein jochie gebruikten wij die schelpen als waterpistooltjes. Als je er op de goede manier op kneep spoot de straal wel drie meter ver.” De leerlingen van Op de Hoogte hadden tot nu toe nauwelijks vragen. Maar ze vragen Richard nu meteen om even een paar zékers op te rapen. De teleurstelling druipt van de gezichten als Bleijenberg meedeelt niet ogenblikkelijk bruikbare strandgapers te zien liggen.

    

    

Door René Hoonhorst

1993.08.18 BN De Stem: Bijzondere vondst in Nieuw-Namen

Twee miljoen jaar oude zeeëgel

NIEUW-NAMEN - Pas nu is bekend geworden dat beheerder Richard Bleijenberg van de Meester van der Heijdengroeve in Nieuw-Namen in het voorjaar 1991 een bijzondere vondst heeft gedaan. Namelijk een twee miljoen jaar oude fossiele zeeëgel.

Bleijenberg vond bij het schoonmaken van de groeve een ‘zandbolletje’ ter grootte van een pingpongbal. Het viel hem op dat er twee gaatjes in het ‘bolletje’ zaten, maar het bleef lang een raadsel wat het kon zijn. Totdat de Terneuzense schelpenverzamelaar J. de Vos er aan te pas kwam. Door nader onderzoek met behulp van een stereomicroscoop kwam aan het licht waar het om ging. Het bleek een hartvormige zeeëgel die luistert naar de wetenschappelijke naam ‘Echinocardium cordatum’. Een dergelijk exemplaar was tot dan toe nog nooit in de groeve gevonden. In 1959 ontdekte G. de Zeeuw uit Zaamslag wel een fragment van deze soort in de groeve. Het stukje wordt nog steeds bewaard in het schelpenmuseum te Zaamslag. Dit fragment is aan de binnenzijde geheel bezet met calcietkristallen.

Ongeschonden

Na bestudering van het nu gevonden exemplaar bleek de binnenzijde rondom eveneens geheel bezet te zijn met kristallen. Mede daaraan is het ook te danken dat de zeeëgel ongeschonden tevoorschijn is gekomen. De kristallen hebben het uiterst tere skelet een voldoende stevigheid gegeven. Van die kristallen zijn met behulp van een stereomicroscoop foto’s gemaakt, die de vorming duidelijk laten zien. “Er is hier duidelijk sprake van een fossiele zeeëgel waarvan de ouderdom gerekend moet worden tot het Jong Plioceen”, stelt De Vos. Dat is ongeveer twee miljoen jaar geleden. De opmerkelijke vondst werd niet meteen bekend gemaakt, uit angst dat door verzamelwoede overmande bezoekers van de groeve in de lagen zouden gaan krabben om hun eigen “juweeltje uit de geologie” te bemachtigen. Inmiddels lette Richard Bleijenberg bij elke schoonmaakbeurt van de groeve extra goed op. Op zoek naar wellicht nog een exemplaar. Pas in april en mei van dit jaar werd zijn moeite beloond door het vinden van nog vier exemplaren van dezelfde soort.

Zeldzaam

Deze zeeëgel komt ook vandaag de dag nog in levenden lijve voor. Bij elke flinke westerstorm worden de in het zand voor de kust levende zeeëgels uitgespoeld en komen zodoende op het strand terecht. Als fossiel in het Plioceen is het volgens De Vos echter een uiterst zeldzame soort en het is voor de groeve in Nieuw-Namen goed nieuws. Eén en ander geeft aan geologen de aanzet voor nadere bestudering van het ontstaan van de zanden op de Kauter bij Nieuw-Namen. Binnenkort wordt in het wetenschappelijk tijdschrift ‘Contributions to Tertiary and Quaternary Geology’ een artikel aan deze vondst gewijd.                   

Richard Bleijenberg met de twee miljoen jaar oude fossiele zeeëgel.

De zeeëgel van dichtbij. Het grote gat is de mond van het diertje. Foto’s Wim Kooyman

Van onze verslaggever

1993.09.13 Monumentendag dit jaar een flop

ZEEUWS-VLAANDEREN - De natuurhistorische monumenten mogen dan gratis bekeken kunnen worden, zaterdag en zondag tijdens de Nationale Monumentendagen kwamen de belangstellenden slechts sporadisch een kijkje nemen. Nogal wat medewerkers aan de monumentendag spraken van een grote flop.

Axel genoot mee van KM 93 en komt dus niet voor een peiling in aanmerking. In Hulst was de belangstelling ronduit bedroevend. De stadsgidsen stonden met hun duimen te draaien en ook in het Streekmuseum kwamen niet meer bezoekers dan anders. De enigen die belangstelling toonden waren cultuurbewuste inwoners of Vlamingen. Richard Bleijenberg, de beheerder van de historische groeve: de oeroude heuvel die gevuld is met duizenden fossielen, was diep teleurgesteld. “Wij zitten hier voor paal. De coördinatie klopt niet dit jaar, vorig jaar kregen we meer dan driehonderd mensen over de vloer op ene dag en nu ongeveer 25.” De vlag van Monumentendag wapperde triest aan de ingang van het Kerkpad. Aan de overkant draaiden de kermismolens en de toegang tot Nieuw-Namen was afgesloten omdat de harmonie rondtrok. Die vlaggen ontbraken in Hulst en ook hier werd gemopperd over een slechte samenwerking en coördinatie. “Het is net of de mensen niet weten dat het monumentendag is, we moeten hier volgend jaar echt iets voor regelen want zo kan het niet,” vertelde één van de stadsgidsen. In West Zeeuws-Vlaanderen hadden de gemeenten Oostburg, Sluis en Aardenburg voor een gezamenlijke route van vijftig kilometer gezorgd langs een aantal monumenten in de streek. Molens, kerkjes en musea lagen aan deze route. Het museum in IJzendijke kreeg minder bezoekers over de vloer dan anders en kon dus niet spreken van een succes. “Maar wij zijn geen echt monument, de mensen konden hier een routebeschrijving krijgen en we weten natuurlijk niet of er belangstelling was voor speciale monumenten.” Die enkele bijzondere monumenten kregen wel wat bezoekers over de vloer, maar het was nergens dringen geblazen.

Het bezoek aan de groeve was tijdens de Open Monumentendag teleurstellend. Foto Camile Schelstraete

Van onze correspondente

In het jaar 1890 kwam de inpoldering van de Emmapolder tot stand. Deze polder kreeg de naam van de toenmalige koningin Emma. Of de koningin hier ooit is geweest, weten we niet. De vorige inpoldering dateert van 1847, namelijk de Louisa- en Prosperpolder. De Saeftinghepolder was al in 1804 ingepolderd. Dus in 1800 lag het Verdronken Land van Saeftinghe nog tegen onze kauterheuvel. De mensen van de Kauter zijn altijd zeer betrokken geweest met deze polders, maar vooral ook met de haventjes, die aan het bevaarbaar gedeelte van het schor lagen. Vanuit dit Kautersvolk groeide een zeer apart schippersvolk. Bekende vissersfamilies waren de Lockefeer’s, Praeten, Van de Heijdens en de Kevers. De eigenlijke plek waar de wortels schoten tot volwaardig schipper was in de Emmahaven, de haven van de gemeente Clinge, waar ook de eerste school voor het Kieldrechtse schippersvolk was. De laatste visser die dit haventje aandeed was Jozef van der Heijden. De haven is nu verzand en het is zeer moeilijk geworden om nog de juiste plek aan te wijzen waar de schepen lagen. Toch is dit nog steeds een gebied dat de belangstelling geniet van vele duizenden bezoekers. Om al deze bezoekers nu een aangepaste rondleiding en informatie te kunnen geven, kwam men op het idee van een informatiecentrum. Maar een gebouw zou zeer veel geld kosten en in het schor of de polder kan men het al niet plaatsen. Tot de gedachte groeide om een oud binnenschip te gebruiken, als een soort van drijvend museum. Het zal voor sommige Kieldrechtenaren en mensen van Nieuw-Namen een weemoedig gevoel teweeg meebrengen om daar terug een schip in het water te zien liggen, waar onze voorouders de eerste stappen in het water zetten. De eerste havenmeester, Louis Lockefeer, die daar 40 jaar havenmeester was, Emiel van Broeck en Fons Vergauwen zullen blij zijn dat in deze tijd nog een stuk historie herleeft.

Piet Praet, een legendarische figuur op Emmahaven. Schipper van de CLN20. Een echt Kauter figuur.

V.l.n.r. De schippers Jan van der Heijden met zijn zoon Jozef, Bert de Kever, Arthur de Kever en Van Denderen. Vijf stoere mannen bezig met de haven van het slijk te ontdoen, een zwaar werk!

Door Richard Bleijenberg, Nieuw-Namen

SAEFTINGHE - Archeologen krijgen er de griezels van, maar de vijf kinderen van de "Zeebeestenclub" hebben de dag van hun leven gehad. Ze hebben een volkomen gaaf Middeleeuws graf blootgelegd en de beenderen van een mens uit de elfde eeuw in hun handen genomen. "Jammer voor die stoffige archeologen", zegt één van de moeders. 

Het gebeurde kort geleden in het Verdronken Land van Saeftinghe, een gebied in Zeeuws-Vlaanderen waar de Schelde twee keer per etmaal haar water over het schorrengebied laat lopen en er zich dus ook twee keer per etmaal terugtrekt. Op zo'n moment, dat het in de Middeleeuwen nog bewoonde gebied droogvalt, bezochten de kinderen van de 'Zeebeestenclub' van de Stichting Mother Sea de drassige grond van Saeftinghe. Het was een reisje om video-opnamen te maken voor de televisieserie 'Spoorzoeken op zee' van de VPRO. Richard Bleijenberg, gids voor de natuurorganisatie Het Zeeuws Landschap, leidde de 'expeditie' van de kinderen en de producenten van de tv-serie. Bleijenberg is een kenner van het gebied en had geen moeite om in het Verdronken Land de plek aan te wijzen waar een jaar geleden een grafveld met acht graven was aangetroffen. Hij was immers zelf degene geweest die in de oude veenoever de boomstamkisten had gevonden. Hij kon er bovendien met veel enthousiasme over vertellen. Zijn verhaal werkte aanstekelijk op de kinderen, die zich onmiddellijk op de drooggevallen grond stortten en aan het graven sloegen. Al snel vonden ze potscherven, kraakbeenderen van een rund en een menselijk bot. Een van de kinderen haalde zelfs nog een voet open aan de scherpe punten. Op een gegeven moment stuitte Jet Hoed (12) uit Hoorn op een stuk hout en op haar geroep doken vijf paar kinderhanden in de modder om even later het vermolmde deksel van een grafkist los te peuteren. Onder de houten plank troffen de kinderen de beenderen aan van een volledig geraamte. Het was een griezelfilm, maar deze keer echt en niet op het tv scherm. Na de opnamen voor 'Spoorzoeken op zee' werden de botten teruggelegd en het deksel er overheen getrokken. En binnen een paar uur stond er boven het grafveld weer enkele meters zeewater. De tv-serie wordt vanaf 15 februari uitgezonden in het VPRO-programma 'Villa Achterwerk' maar woensdag liet het Jeugdjournaal er al enkele beelden van zien.

Provinciaal archeoloog dr. Robert van Heeringen heeft er met afgrijzen naar gekeken. "Ik ben hier erg ongelukkig mee. Dit is toch niet de informatie die je naar kinderen toe moet geven over archeologie en oudheden. We hebben al zoveel last van mensen die opgravingen verstoren. Deze gebeurtenis kan bij kinderen hoop aanwakkeren om maar in het wilde weg te gaan schatgraven". Voor Van Heeringen is het uitstapje van de 'Zeebeestenclub' een "pijnlijke" zaak, omdat Bleijenberg correspondent is van de Rijksdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek (ROB) en in die rol waarschuwt hij als er archeologische vondsten in het Zeeuws-Vlaamse worden gedaan. "Hij is een heel enthousiaste gids en heeft ze naar dat grafveldje geleid. Dat het bezoek zo zou uitpakken had hij ook niet verwacht waarschijnlijk. De suggestie die nu gewekt wordt, als zouden de kinderen plotseling een unieke vondst hebben gedaan, is overigens niet juist. Het gebied is vorig jaar ontdekt; de acht herkenbare graven zijn onderzocht en ingemeten. Ze dateren ongeveer uit 1076. Bleijenberg was er zelf bij betrokken. We hebben de graven weer gesloten. Wat moet je met die skeletten? Laat ze maar zitten". Mevrouw Uittenbogaard, moeder van een van de kinderen en woordvoerster van de Stichting Mother Sea, vindt de drukte maar overdreven. "Het is heel zorgvuldig gegaan. Het gebeurde allemaal onder leiding van de heer Bleijenberg. Het is zo'n mooi gebied, ruig en woest en heel drassig. Je kunt er maar heel kort vertoeven, hoogstens twee uur, dan komt het water weer terug. Het was een indrukwekkende belevenis voor de kinderen: zo maar zo'n Middeleeuws graf ontdekken. Bleijenberg zei zelf nog dat hij het gebied nog nooit zo mooi had gezien. Als archeologen nu moeilijk gaan doen, begrijp ik dat niet. Dat ze niet met bosjes in het Land van Saeftinghe lopen! Ach, dit zijn stoffige wetenschappers tegenover kinderen. Laat ze maar wachten tot februari, dan zien ze het zelf".

Van één onzer verslaggevers

De voorbije week werd door professor S. Wartel van het Belgisch Instituut voor natuurwetenschappen en de conservator Richard Bleijenberg van de Meester van der Heijden groeve, een uniek didactisch paneel onthult. De groeve wordt er op een visuele wijze in een tijdschaal afgebeeld. Zo werden de laatste twee miljoen jaren uitgetekend op een vijftal plaatjes. Het voorbije paasweekeinde werden heel wat bezoekers rondgeleid, want dan hield Staatsbosbeheer een opendeurdag. Vermelden we nog dat de uitbreiding van het reservaat is goedgekeurd door de afdeling Natuur, Bos, Landschap en Fauna (NBLF) van het Nederlandse ministerie. Door die aankoop kunnen in de toekomst de grenzen worden uitgebreid met enkele aangrenzende percelen. 

Ontstaan

De groeve in Nieuw-Namen is ontstaan door jarenlange zandwinning en de winning van Crag (verkalkte schelpresten) voor wegenbouw en dergelijke. Na de oorlog is de groeve volgestort met huisvuil van de gemeente Hulst. In 1955 is de groeve aangekocht voor Staatsbosbeheer, waarna in 1980 de vuilstort aangekocht is. In 1983 begon een groepje vrijwilligers, onder leiding van Richard Bleijenberg, aan het blootleggen van het huidige profiel van de groeve, die alweer een tijdje onder het huisvuil en zand had gelegen. Nu, na 11 jaar succesvolle rondleidingen en ongeveer 20.000 bezoekers, vond Staatsbosbeheer het de hoogst tijd om een nieuw voorlichtingspaneel te plaatsen. Nieuw, bijgesteld met de laatste geologische gegevens bekend over het ontstaan van de groeve. De grondlagen die in de groeve te bezichtigen zijn, zijn alleen zichtbaar in Nieuw-Namen, verder nergens in Europa. De grondlagen bevinden zich wel in heel Nederland onder de oppervlakte, maar zijn nergens zichtbaar. De lagen dateren uit het Plioceen en zijn in ieder geval twee en een half miljoen jaar oud. Nog bijna elk jaar dienen zich nieuwe vondsten aan, waarbij de zeeëgels vermeld mogen worden. Tot nu toe werd dit type zeeëgel niet gevonden in Pliocene grondlagen, wat de wetenschap weer op een ander raadsel brengt. Het onderzoek naar de zeeëgels is nog in volle gang. 

Voorlichtingsbord

Voorjaar 1993 werd besloten dat er dat jaar een nieuw voorlichtingspaneel in de groeve te Nieuw-Namen zou moeten komen. Na overleg met Richard en de KNNV (Jan Boom) werd, na de succesvolle geologische dag voorjaar 1993, besloten om prof. S. Wartel van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen te Brussel te benaderen. Aangezien prof. Wartel zelf ook regelmatig bezoeker van de groeve was in aanwezigheid van veelal internationale en Belgische studenten, begreep hij als een andere noodzaak van een goed, duidelijk voorlichtingspaneel. De eisen van Staatsbosbeheer waren: het moest aan de huisstijl voldoen, en voor eenieder begrijpbaar blijven. Staatsbosbeheer werkt normaal gesproken met eigen ontwerpers maar al gauw bleek dat dit niet zo maar een voorlichtingspaneel zou worden, maar een heel specifiek op de groeve toegespitst paneel. Buiten het feit dat informatievoorziening over geologie nou niet direct dagelijkse bezigheid van Staatsbosbeheer is, zou het ook een paneel worden dat altijd onder leiding van een gids bekeken zou worden. Het paneel dient voornamelijk als een leidraad bij het verhaal van degene die de rondleiding in de groeve zal geven, meestal dus Richard Bleijenberg. Vervolgens moest er bij het informatiepaneel een deugdelijke vitrine komen om verschillende belangrijke vondsten te tonen. Genoemd mag hier worden de vondsten van zeeëgels het afgelopen jaar, waarnaar nog een onderzoek gaande is. Na veel overleg en onderzoek werd besloten om te proberen de geologische tijdschaal volgens een heel nieuw aspect op het paneel te plaatsen, namelijk min of meer in perspectief.  Buiten de geologische informatie die hij verstrekte, bleek Jan Boom van het KNNV hier duidelijk inzicht te hebben. Gaandeweg liepen we tegen een probleem op. Als je als amateurs en profs over een onderwerp om de tafel gaat zitten loop je tegen het feit aan dat je al te gedetailleerd gaat werken. Hier kwam mevrouw M. Wartel-L’abbé om de hoek kijken, want zij begreep weer vanuit haar beroep hoe je een schoolklas met kinderen iets over geologie duidelijk maakt. Een ruw onderwerp was er, nu was het zaak om het paneel ook via normen en eisen van SBB (huisstijl!) in de groeve te krijgen. Het ruwe onderwerp ging naar een professionele ontwerper toe (Kees van Mook), die na veel verdere verbeteringen heen en weer gestuurd te hebben, uiteindelijk weer in samenwerking met prof. Wartel, mevr. Wartel-L’abbé, Richard Bleijenberg, Jan Boom (KNNV) en boswachter Hans van Hage van Staatsbosbeheer tot het huidige paneel is gekomen. Een paneel waar in Nederland geen tweede van te vinden is. Op de vitrinekast na is het klaar, en kunnen we een groeve tonen met een ander gezicht, een duidelijk stuk informatievoorziening waar we met ons allen trots op kunnen zijn!

Gids Richard Bleijenberg bij het gloednieuwe informatiebord.

Kauter in Nieuw-Namen heeft zandgelaag van 2,5 miljoen jaar

In de Nederlandse grensgemeente Nieuw-Namen, naast het Oost-Vlaamse Kieldrecht, steekt “De Kauter” enkele meters boven de omgeving uit. Het is een geologisch reservaat, uniek in Europa, zeggen wetenschappers. Het Nederlandse Staatsbosbeheer, vergelijkbaar met het Vlaamse Waters en Bossen, nam daar gisteren een nieuw voorlichtingsbord in gebruik. Op het bord staat een geologische tijdschaal afgebeeld die ook de leek duidelijk moet maken hoe uniek de groeve in Nieuw-Namen wel is. De groeve in de Hulsterse deelgemeente is ontstaan door jarenlange winning van zand en verkalkte schelpresten voor ondermeer wegenbouw. Na de oorlog werd de groeve volgestort met vuilnis. In 1983, nadat de groeve eerder al door Staatsbosbeheer was aangekocht, begon een groepje vrijwilligers met het blootleggen van het huidige profiel. Al die inspanningen hebben er uiteindelijk toe geleid dat de Kauter de enige plek in Europa is waar zulke oeroude afzettingen bovengronds kunnen worden bekeken. “Deze plek heeft inderdaad iets unieks, namelijk een onvoorstelbaar lange historie. Het zandgelaag hier kent zijn oorsprong meer dan 2,5 miljoen jaar geleden”, vertelde boswachter Hans van Hage bij de voorstelling van het nieuwe voorlichtingsbord, waaraan ook werd meegewerkt door professor Wartel van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen.

Fossielen

Richard Bleijenberg, ook een bekende gids in het Land van Saeftinghe, is de grote bezieler van de activiteiten rond de groeve. “De grondlagen die hier te bekijken zijn, zijn alleen zichtbaar in Nieuw-Namen. Je zal vergeefs naar een plek als deze in Europa zoeken”, zegt Richard, die de voorbije decennia ook al veel fossielen in de zandlagen terugvond. “Er zijn zelfs resten van een walvis aangetroffen. Maar naast fossielen werden rondom De Kauter ook sporen van de prehistorische mens ontdekt. In 1984 troffen we een oeroude vuursteen aan. En nog later werden diverse pijlpunten gevonden. Kortom, het is duidelijk dat deze heuvel zeer waarschijnlijk al in de Oude Steentijd bewoond was. Er zijn overigens ook sporen uit de Midden Steentijd  en de IJzertijd teruggevonden.” Het zandgelaag van 2,5 miljoen jaar oud kan van april tot oktober worden bezocht. Er moet wel vooraf een afspraak worden gemaakt met Richard Bleijenbergtel. vanuit België 0031-1144384.

Op het nieuwe voorlichtingsbord wijst Richard Bleijenberg aan waar de Meester van der Heijden-groeve, zoals ze officieel heet, zich situeert in de geologische tijdschaal. Foto Ludo Mariën

Van onze verslaggever

1994.03.31 Het Volk: Uniek geologisch museum licht bezoekers beter voor

NIEUW-NAMEN / KIELDRECHT - Staatsbosbeheer nam gisteren, met enig ceremonieel, een gloednieuw voorlichtingspaneel in gebruik dat de bezoekers wegwijs moet maken in het op Europees vlak uniek geologisch reservaat in de grensstreek rond Hulst. Het gaat overigens niet om louter Nederlands initiatief. Het voorlichtingsbord is immers het resultaat van nauw overleg tussen het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en de Nederlandse Natuurkundige Vereniging. Vanuit de hele wereld komen wetenschappers naar de Hulsterse deelgemeente Nieuw-Namen afgezakt voor een bezoek aan het geologisch reservaat. "Het zandgelaag ontstond meer dan 2,5 miljoen jaar geleden", verteld Richard Bleijenberg trots. Hij is een van de grote bezielers. In 1983 begon Richard, samen met een groep vrijwilligers, het profiel van de groeve bloot te leggen. Maar liefst 20.000 bezoekers werden inmiddels al rondgeleid. Boswachter Hans van Hage van Staatsbosbeheer: "De grondlagen die hier in de groeve te bezichtigen zijn, zijn alleen zichtbaar in Nieuw-Namen, nergens anders in Europa. De lagen dateren uit het Plioceen, wat betekent dat ze 2,5 miljoen jaar oud zijn." Nog elk jaar worden hier interessante fossielen gevonden. De hier aangetroffen zeeëgels werd tot dusver nog niet in Pliocene grondlagen gevonden.

Richard Bleijenberg toont het bord dat de hele groeve in kaart brengt. Foto Marc de Waele

Van onze verslaggever L.V.B.

1994.04.05 Groeve Nieuw-Namen weer open

De groeve in Nieuw-Namen heeft z’n eerste bezoekers weer gehad. Zij konden onder meer het nieuwe informatiepaneel bekijken dat een hele verbetering betekent voor de bezoekers. Eenvoudig kan nu in één oogopslag het ontstaan van de groeve gevolgd worden. Dat de groeve in Nieuw-Namen iets uniek is mag duidelijk zijn. Nergens in Nederland worden deze zandlagen uit het Plioceen zo gekoesterd dan in het uiterste puntje van Oost-Zeeuws-Vlaanderen.

Fotograaf Erik Ossewaarde legde een deel van de groeve vast.

Pagina 3 van 4

Zoeken

Het Weer

Partly Cloudy

13°C

Paal, Nederland

Partly Cloudy

Humidity: 83%

Wind: 17.70 km/h

  • 24 Jun 2018

    Cloudy 18°C 11°C

  • 25 Jun 2018

    Partly Cloudy 20°C 13°C

Ga naar boven