1989.06.22 De Wase Koerier: Kerkpad

Lezers reageren op DE STEM

Het Kerkpad in Nieuw-Namen staat tegenwoordig in het middelpunt van de belangstelling. Een pad waar nog niet zolang geleden verharding is aangebracht. Het is eigenlijk nog zo’n paadje waar de tijd stil is blijven staan, rustig en ouderwets. Een pad dat in oorlogstijd gebruikt werd op smokkelwaar ongezien over de grens te brengen, een grenspaal is zelfs niet te vinden. Aan dit pad ligt het kerkhof en de Meester van der Heijdengroeve. Voor beide bezoeken heeft men dit paadje nodig. Voor een bezoek aan het kerkhof gebeurt het eenmaal per maand, voor een begrafenis gebeurt dit liefst in alle stilte en intimiteit. Het is trouwens ook in Kieldrecht dat er een pad naar het kerkhof gaat om in alle stilte de doden de laatste eer te geven. Het Kerkpad van de kerk tot het kerkhof is ruim honderd meter lang. Er net voorbij staat ondertussen het veelbesproken verbodsbord. Voor bezoekers van de groeve kan ik uit eigen ervaring zeggen dat dit pad positief is en een eigen karakter geeft voor een toegang tot een reservaat. Ook in alle rust komt me uit de dorpsdrukte terecht in een reservaat waar men nu de torenvalk ziet met jongen op het nest. Veel vogels hoort men zingen, terwijl je regelrecht geconfronteerd wordt met de oudste zeebodem die in ons land daar alleen aan de oppervlakte komt. Deze twee zaken moeten rustig blijven. 

En een bord dat zorgt dat er geen auto’s door mogen, staat volledig op zijn plaats. Wij hebben in Nieuw-Namen een dorpsraad; die zorgt normaal voor de verbetering van het dorp. Dit kan men alleen goed praten, want dit is wel nodig, alleen als dit democratisch gebeurt en onpartijdig. Als een dorpsraad voorgezeten wordt door een gemeenteraadslid, kan er wel iets misgaan. Ik ben ook dorpsraadlid geweest en heb meegemaakt dat er de welbekende Lage Wegel pardoes werd omgeploegd. De Lage Wegel was ook zo’n paadje dat de scheiding maakte tussen polder en dorp. Het leek wel sterk op het Kerkpad en werd ook veel gebruikt voor wandelaars. De Lage Wegel bleef liggen door erfdienstbaarheid, omdat er verschillende eigenaars en pachters lagen met hun akkers. Het was door de Kieldrechtse ruilverkaveling dat alle pachters wegvielen en ons bekend raadslid vat kreeg op de toch historische Lage Wegel. Het was toen voor mij vreemd, dat dit allemaal kon. Zelf ben ik in de bres gesprongen om de Lage Wegel te behouden. Het kwam tot een hevige discussie in de dorpsraad. Het raadslid stelde voor om te stemmen. Het werd één tegen allen. Het raadslid kreeg zijn zin en weg is de Lage Wegel. Hij was nog voorzitter van de ruilverkaveling ook. U merkt al vlug dat het er op de Kauter vreemd aan toe kan gaan. Toch zal ik mij inzetten om de Kerkpad te beschermen om het te houden zoals het nu is.

Door Richard Bleijenberg, Nieuw-Namen

KIELDRECHT - Marc Warrens (46 jaar), in de streek beter bekend als "de Piesta" en in de haven van Antwerpen waar hij werkt als dokwerker als "de visboer", is de zoon van oud-visser en leurder Jan Warrens. Als twaalfjarige knaap al leerde hij al de geheimen kennen van het Verdronken Land van Saeftinghe. Marc is één van de tien Kieldrechtse garnaalvissers die een vergunning hebben om te vissen in het Verdronken Land.

Met "de Piesta" trokken we de Schelpgeul in, één van de grote plassen die als een meander tussen het schorrengroen kronkelt. In het 3500 hectare groot natuurreservaat vormen garnaalvissers een bijkomende attractie voor de groepswandelaars met gids. De Piesta, een stevige bonk met gitzwarte ogen, vertelt graag over de vissers- en leurderstijd, toen hij samen met zijn vader met de mandfiets in Herentals en Sint-Truiden leurden met garnalen. We helpen Marc om het net met behulp van een touw tegenstroom te sleuren. "Hihihihihi" krijsen de meeuwen gemeen. Ze lijken ons te bespotten om onze noeste arbeid. "Als de meeuwen je uitlachen is er slecht weer op komst", zegt Marc. Een oorbelletje in Marc’s linkeroor trekt onze aandacht. "Vroeger droegen de vissers een gouden oorbel", verklaart Marc. Volgens de overlevering moest dit dienen om hun begrafenis te betalen. Marc haalt ook herinneringen op aan een wedstrijd voor garnaalvissers in Oostduinkerke waaraan hij met zijn schoonvader deelnam. De Visboerkes uit Kieldrecht wonnen. De Oostduinkerkenaars wilden echter hun gezicht niet verliezen - er waren honderden toeschouwers komen opdagen - en de Kieldrechtenaars werden gedeclasseerd.

Naijver

Tijdens de Kieldrechtse kermisweek vangen de garnaalvissers één keer eensgezind garnalen voor het goede doel, maar normaal proberen ze elkaar in de maanden september en oktober de loef af te steken. De naijver tussen de garnaalvissers - die vaak karakteristieke bijnamen hebben als De Sterke, De Kust, De Pieper, De Sturm, Piet De Schrale en Bert De Spiering - is erg groot. Over de opbrengst van hun vangst - die ze steevast minimaliseren - wordt steeds gelogen. Marc draagt zijn vangst, tien kilogram garnalen (na het koken) mee in een mooie Joegoslavische mand die ginds gebruikt wordt voor de druivenoogst. "Als garnaalvisser komt het erop aan steeds de eerste te zijn", aldus de Piesta. Wanneer de tij meezit rijden de garnaalvissers al drie uur voor eb de Emmapolder in. Aan de auto’s die onderdijks geparkeerd staan, zien de vissers in welke geul de concurrent opereert. Vroeger maakten ze de verplaatsing met de fiets, die ze verstopten om hun vissersterrein geheim te houden. Met de vangst - het resultaat van enkele uren werk - trekken we door de modder richting auto. We kleden ons om en Marc toont ons zijn vergunning - tot kustvisserij in Nederland. Die zat in zijn visserspet weggeborgen. Het blijkt een oude vissersgewoonte te zijn allerlei onmisbare dingen (de tabak) in de klak op te bergen. Onze benen voelen een beetje loom aan, onze buik grolt van de honger. In Kieldrecht staan de boterhammen klaar.

De "Piesta" met Joegoslavische oogstmand, net en met garnalen gevulde zeef in de Schelpgeul in Saeftinghe. Foto PMS

Door CK. PMS

1989.10.27 Jachtvergunning voor natuurgebieden laat nog op zich wachten

HULST - Hoewel de eendenjacht al sinds 24 juli is opengesteld, heeft de Belgische jachtvereniging Scheldezonen nog geen vergunning gekregen om op de Westerschelde vanuit bootjes op waterwild te jagen.

Voorts wacht ook de jagersvereniging Saeftinghe nog op zowel de vergunning voor de jacht op waterwild als op gewoon wild in dit staatsnatuurmonument. De laatste jacht is 1 oktober opengesteld. Bij de Dienst der Domeinen in Goes wilde men alleen bevestigen dat tot op heden de vergunningen nog niet zijn verlengd, 'maar de besprekingen hierover nog volop gaande zijn'. Tegen de jacht op Westerschelde en in het Land van Saeftinghe protesteert de Vogelbescherming Nederland al sinds jaar en dag. Het feit dat de jachtvergunningen dit jaar nog niet zijn verleend, stemt de vogelaars hoopvol. "Het zou prachtig zijn als de jacht totaal werd verboden", aldus een woordvoerder van de Vogelbescherming Nederland. Volgens de vogelbescherming wordt vooral de jacht vanuit bootjes op de Westerschelde 'amateuristisch' uitgevoerd. "Men schiet op alles wat beweegt, waarbij men kennelijk de soorten niet uit elkaar kan houden. Dikwijls worden vogels niet gedood maar gewond, vliegen min of meer verder of verdrinken jammerlijk in het water." Ook de jacht in het Land van Saeftinghe is de vogelaars een doorn in het oog. "De jacht brengt een geweldige verstoring te weeg en dat is fataal in een gebied waar talloze vogels overwinteren. Het is onbegrijpelijk dat hier de jacht wordt toegestaan." Voorzitter J. Seydlitz van de jagersvereniging Saeftinghe zegt het resultaat van de bespreking rustig af te wachten. Naast Domeinen is hierbij ook Het Zeeuwse Landschap, beheerder van het gebied, betrokken. "Wij zijn inderdaad in overleg, maar het probleem is dat de minister zelf de jachtvergunning moet afgeven omdat het een staatsnatuurmonument betreft."

1989.11.11 Free van de schoolklas

IK ZIENT NOG MAOR ’S EVEKES AF

‘k En ook al jaorelank zin g’ad om’s mee naor de Saoftinge te gaon,

maor nou ank de krant zo lees, zien’k ’t toch nog maor ’s evekes aon:

zovee kielemetes in e paor uur en dan ook nog loop’n bjèrre deur da slik,

da’s belangemij geen kuieren meer, da’s eel veel ard affeseren, vinne kik.

 

’t Zijn evegoed wel mannen eeh? Onderd man beroepen da krijge ze voor makaor,

en att’r tegeoordug in e kerk tien man zit, staot’r al nen luidspreker klaor,

maor dagge da nie veel vleugels te zien krijg, daor kan kik inkommen evegoed;

att’r  zo’n bende op ouw akform, zoeude gij dan blijve zitten, at nie moet?

 

En da bring taor nog lekker op ook oor: twintig gulden voor vier man,

bij benaodering dan, want ’t is nog meer, maor goed en paktan onderd man,

ank mij nie bedrieg is da vijfonderd mussen schoon in d’and,

en en vrai dreenken, wet’k zone gids die ouw zijn broek wel op in de passant.

 

Zukken groen mannen die staon evegoed voor niks eeh, agg’t goe bekijk;

die keun allemaol van voren loop’n, at moet mee onderd man tegelijk,

maor nie net toen of g’ook iets weet eeh, dan krijde de rooie kaort,

en keuj’t veld uit. Ik vin z’eigeluk kortaongebonnen van aord.

 

Maor jao, da zijn deskundigen eeh, dus wa keuje gij nou as gewone man,

anders as zwijgen en luisteren, want waor ijje gij nou verstand van?

Zulder zijn’t! Jaoren ervaoruk en dan zijn z’evegoed nog maor alf te verstaon,

maor ’t is gjèrn of ne eeh; g’è maor te kiezen: thuisblijven of meegaon.

 

En daor gaon kik ou nog’s mee wachten, want a’n z’op d’n dijk al gaon zeggen,

Wagge laoter te zen krijg en ik moen dan nog negen kielemeter afleggen,

Dan zijn’k’t ammel al vergeten. Nee, ik zette kik mij wel bij Magdao op’t terras,

En dan oor’k laoter wel van die andere mannen oe schoon en oe zwaor at ammel was!

1989.11.22 Gidsen voor jachtverbod in Saeftinghe

Gedragswijzigingen vogels merkbaar

EMMAHAVEN - De gidsen en vogeltellers van het Land van Saeftinghe willen dat de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zich alsnog uitspreekt voor een jachtverbod in de schorren van Saeftinghe.

Begin dit jaar vroegen de gidsen om een jachtverbod, omdat de pachttermijn voor het buitendijkse jachtgebied was afgelopen. De minister liet, ondanks het feit dat er kamervragen over de kwestie werden gesteld, zich niet uit over het al dan niet verlenen van een nieuwe jachtvergunning. Door de val van het kabinet en de daaropvolgende kabinetsformatie raakte de kwestie- Saeftinghe uit beeld. Voordeel hiervan was volgens de gidsen wel dat er dit najaar geen jager in het schor te bekennen viel en de trekvogels zich ongestoord in het natuurgebied konden ophouden. Uit waarnemingen van vijf vogelkenners is gebleken dat het gedrag van eenden en ganzen de afgelopen maanden wezenlijk anders is geweest dan in de voorgaande jaren. Groepen dieren kunnen dicht worden benaderd en laagovervliegende groepen schieten niet direct de hogere luchtlagen in om mensen op het schor te ontwijken. Voorts zijn de rust- en foerageergebieden van de ganzen aanzienlijk meer over het schor verspreid. Dieren (met name Grauwe en Kolganzen) die zich anders tegoed doen aan de jonge wintertarwe in de polders blijven nu buitendijks. 

De gidsen en vogeltellers van Saeftinghe concluderen dan ook in hun rapport over de huidige stand van zaken in het natuurgebied dat door de afwezigheid van verstoring door jachtactiviteiten de overlevingskansen van overwinterende trekvogels aantoonbaar vergroot is door de rust in het gebied. Ook gedragsmatig zijn de vogels in het schor beter af. De dieren blijven meer bij elkaar en jonge dieren vormen paren. Bijkomend voordeel van het ontbreken van de jacht is dat de opvangcapaciteit van het schor groter is geworden. De Saeftinghe-kenners willen - om de huidige situatie te handhaven - nu ook in de wintermaanden stoppen met de groepsexcursies in het gebied. Gezien de bevindingen is voor de gidsen en vogeltellers een verlenging van de jachtvergunning uit den boze. "Het alsnog verlengen van die vergunning - hoezeer ook beperkt - is op geen enkele wijze te verenigen met een verantwoord beheer van dit gebied dat al op zoveel andere manieren onder zware milieudruk staat en dat bovendien het enige resterende overwinteringsgebied van betekenis is voor de Grauwe Gans in Nederland," zo besluiten de waarnemers hun rapport.

Van onze verslaggever

1989.11.24 BN De Stem: Zonnebloemmysterie land van Saeftinghe

EMMAHAVEN - Bezoekers van het Verdronken Land van Saeftinghe in de Westerschelde zijn afgelopen zomer tot hun verbazing geconfronteerd met in het schor opschietende zonnebloemen.

Zo heeft Saeftinghe gids Richard Bleijenberg deze zomer vijf uit de kluiten gewassen volgroeide exemplaren aangetroffen. "Ik heb niet het hele gebied nagespeurd, dus er zullen er ongetwijfeld nog wel meer hebben gestaan." De zonnebloemen groeiden op zandruggetjes naast de geulen. Over de herkomst van de bloemen tast men in het duister. Conservator Jos Neve van het natuurgebied meent dat het ontluiken van de zonnebloemen wellicht te maken heeft met een experiment dat enkele jaren geleden is uitgevoerd door het Delta Instituut in Yerseke. Daar heeft men er echter grote twijfels over, omdat het experiment is uitgevoerd in de Oosterschelde. Zowel in 1983 als in 1985 werden daar tienduizenden zonnebloemzaden in het water gedeponeerd. Dit met de bedoeling om er achter te komen hoe ver zaadjes met de getijdenstroming zouden worden meegevoerd. Het bleek dat de stroming de zaadjes door zowat de gehele Oosterschelde meevoerde. Ze werden overal langs de oever aangetroffen. Volgens woordvoerder van het Delta Instituut is de kans erg klein dat er nu zaadjes van dit experiment naar de Westerschelde gevoerd zijn en in Saeftinghe ontkiemen. Bij het Delta Instituut houdt men het voor waarschijnlijker dat de zonnebloemzaden in Saeftinghe 'verloren' zijn door een passerend schip.

Van onze verslaggever

1990 BN De Stem: Het schor geteld

In 1956 verscheen in het Belgisch vogeltijdschrift De Giervalk/Le Gerfaut het artikel  'de Avifauna van het Verdronken Land van Saaftinghe'. Het was van de hand van de Antwerpenaren Jean Maebe en Henri van der Vloet.

Rond 1940/1941 waren beide jongelieden verslingerd geraakt aan het vogeltjeskijken. De Beneden-Schelde, het deel van de rivier ten noorden van Antwerpen, bezochten ze regelmatig, Saeftinghe was er nog niet bij: het lag nog buiten hun gezichtsveld en tijdens de oorlogsjaren was het niet toegestaan de grens te passeren. Door de Antwerpse architect, Wielewaler (De Wielewaal, een Vlaamse vogel- en natuurbeschermingsorganisatie) en jager Van der Aa werden ze op Saeftinghe geattendeerd. Het schijnt dat de schorren voor de oorlog vrije jachtgebieden waren, waarin iedereen die dat beliefde op jacht kon gaan. Zo kende Van der Aa Saeftinghe. In 1946 gingen de grenzen weer open en toen kwam het Verdronken Land wel binnen bereik, zij het dat het officieel alleen via de grenspost Clinge personenverkeer mogelijk was en natuurlijk alleen voor diegenen die over een reispas beschikten. Dat ontbrak, Clinge was te ver om en daarom staken ze maar illegaal bij Prosperpolder of langs de zeedijk de grens over. Voornamelijk op zondagen en natuurlijk tijdens het jaarlijks verlof, maar in Saeftinghe ben je altijd afhankelijk van het getij, dus dat bepaalt in grote lijnen toch het inventarisatieschema. Voordien was het gebied 'terra incognita' alleen bekend bij en bezocht door jagers, vissers en schaapherders. Ieder daarvan bekeek het gebied met eigen ogen en kende alleen die plaatsen, planten en dieren die voor hem van belang waren. Van Langendonck had een artikel gepubliceerd over de plantengroei van het gebied, maar verder stond er geen letter op schrift. Maebe en Van der Vloet begonnen systematisch de vogels te inventariseren en te tellen en ze gaven namen aan markante punten in het gebied. Namen als Blauwe Plaat, Lepelaar, Rotte Putten, Zouterik, het Kanaal, de Turfplaten, het Strand en het Kleine Strand. Namen die nu op de officiële kaarten voorkomen. Aanduidingen als Hondengat, de Noord, IJskelder en Spauwer bestonden al, want die hadden de vissers en herders er aan gegeven. Veel terreinkennis hebben ze te danken aan schaapherder Piet Mussche ('a milidju', veel meer zei Piet niet), die zijn kooi had onder de zeedijk van de Hedwigpolder halverwege tussen de dijk van de Prosper en de huidige Hedwigstraat. De kooi is al jaren geleden afgebroken en Mussche stapte over van de schapen- op de rundveehouderij: hij liet als eerste runderen weiden in het schor. Die onderneming trok destijds erg veel belangstelling al verwachtte niemand er iets van. Een deel van Saeftinghe wordt nu nog altijd beweid met runderen en al wordt er wel eens een beest verspeeld, zolang de grens blijft liggen waar ze nu ligt, is er een goede boterham aan te verdienen. Maar terug naar de vogels. 

De twee jonge lieden telden de broedvogels, inventariseerden de wintergasten van het schor en deden veel waarnemingen in overig Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen, als het buitendijks gebied niet toegankelijk was. Veel contact daarbij hadden ze met de Middelburgse Officier van Justitie, vogelkenner- en beschermer Tom Lebret. Zo kwamen de Avifauna van Saeftinghe tot stand, een lijst die de basis vormde voor het "Saeftinghe-Boek" van Marc Buise en ondergetekende. Een boek waarin- o grote schande, constateren we elf jaar na het verschijnen, namelijk bij het schrijven van deze bijdrage- de Avifauna niet in de literatuurlijst genoemd wordt. Waarom niet is ons volkomen onduidelijk, maar dat het een blunder van de eerste orde is, is wel duidelijk. Na het verschijnen van de genoemde publicatie in 1956 gaan de vogelaars elk hun eigen weg: Henri voelt zich meer aangetrokken tot de noordelijke Delta, Jean blijft de Schelde en de Westerschelde trouw. Al vermindert de passie voor het vogelen wat, de trek naar Saeftinghe blijft bestaan onder andere als gids in het gidsenteam van Jos Neve, de beheerder van het gebied. Jean en de andere gidsen, die al lang meelopen en voor zover de vogelkenners waren of zijn, zagen de vogelwereld veranderen. In de winter van 1989/1990 werd er nagedacht over en gewerkt aan een nieuwe en zeer degelijke inventarisatie. Richard Bleijenberg uit Nieuw- Namen, ook Saeftinghe-gids, werd de compagnon. "Alleen red je het niet in één seizoen," vertelt Jean ons. "Het gebied is daar veel te groot voor. Je bent te veel afhankelijk van de getijden en het weer en voor een aantal soorten moet je, wil je het echt goed doen, gerichte tellingen verrichten. Zo hoorden we bij Emmahaven overdag één zingende blauwborst. Een broedpaar, zeg je dan, maar tegen vanavond hoorden we er acht zingende mannetjes, zodat je mag concluderen dat er acht broedparen zijn. Ook voor de rietgors geldt dat en voor nog meer soorten. Ook in het belang van de veiligheid ga je beter niet alleen Saeftinghe in." Met z’n tweeën hebben ze er 140 uur aan besteed. De afgelegde afstand op veertig raaien - stroken van zuid naar noord en terug, die zo recht mogelijk gelopen werden - is 150 kilometer per persoon. Wie het schor kent, weet dat één kilometer in het schor met zijn duizenden geulen en geultjes, niet dubbel, maar zeker 'nog-eens-zo-dubbel' telt. "Het is beestenwerk. We zijn kilo’s afgevallen," aldus Jean. Apart zijn er dan nog tochten geweest naar de rietvelden om die op te tellen op kleine karekieten en baardmannetjes (negen paar) en naar de visdievenkolonies, dus die kilometers moeten er nog bijgeteld worden. 

Het gebied tussen Paal en Kruispolderhaven is niet geïnventariseerd. Men begon 28 april en 30 juni was men 'rond'. Het totale verslag zal (waarschijnlijk) verschijnen in het tijdschrift van Het Zeeuwse Landschap. De Stem had evenwel het voorrecht wat krenten uit de pap te halen. Er broedden dit seizoen drie paar kleine mantelmeeuwen. Dat is voor Saeftinghe een nieuwe soort. De kokmeeuw broedt er maar met 1.300 paar meer; in 1978 werd de broedpopulatie geschat op 21.000 paar! De meest talrijke broedvogel is de zilvermeeuw met 7 tot 8.000 paar. Het eerste broedpaar vestigde er zich in 1947. In 1956 broedden er tegen de 800 paar visdiefjes; nu zijn dat er 435, een hele verbetering tegen 1968 toen het broedbestand was teruggelopen tot 140 paar. In 1973 werd Saeftinghe beschermd gebied; in 1975 broedden er (alweer) 420 paar visdieven. Naast de kleine mantelmeeuw zijn er ook de grauwe gans, de krakeend, mogelijk de zwartkopmeeuw, en een bigaam trio brandganzen nieuw. Eén mannetje bracht twee vrouwtjes tot broeden, maar jongen zijn er niet uit voortgekomen. Ook nieuw zijn de zwarte kraai (vier uitgevlogen jongen), de hout- en holenduif. Pleviertjes, kemphaan en watersnip zijn weg als broedvogel en de waterral, de kluut, grauwe gors en grutto zo goed als helemaal. Verheugend zijn de 39 paar blauwborsten, 210 paar kleine karekieten en de zes paren bruine kiekendieven. Van deze soort zijn er geen nesten gezocht, maar met speciaal materiaal (zie foto) zijn de voederende vogels geteld. Ten aanzien van Saeftinghe en omgeving heeft pionier Jean Maebe een aantal wensen. 

De kleintjes eerst: de zanddam (een opgespoten werkstrook) vrij maken van vegetatie zodat de plevieren en kluten weer een kans krijgen en de rij lindebomen aan de voet van de dijk in de Prosperpolder een beschermende status geven. Voorts in het schor een beheer voeren dat ook gericht is op de vogels, niet enkel op de vegetatie, met name ten aanzien van de visdief en de zilvermeeuw en dan het grote verlangen. Dat waar mag zijn wat in brede kring gehoopt wordt: Saeftinghe jachtvrij. Dat het laatste schot werkelijk gevallen is "Jacht hoort daar niet meer; de waarde van het gebied zal enorm toenemen als daaraan een eind gemaakt wordt". De jagers zullen niet blij zijn dat te lezen. "Blij niet. Niemand is blij als hem iets afgepakt wordt, maar ze hebben er wel begrip voor."

Jean Maebe speurt met zijn reusachtige telescoop Saeftinghe af op broedvogels. Foto Erik Ossewaarde

GRASDUINEN door Georges Sponselee

De vogels en het Verdronken Land

EMMAHAVEN – Er is nog steeds geen zekerheid voor de vogels van het Verdronken Land van Saeftinghe. De procedure over de afschaffing van de jacht in het gebied is nog steeds aan de gang en dreigt een slepende zaak te worden. De Stichting Het Zeeuwse Landschap, die het natuurreservaat beheert, had de uitkomst al enige tijd geleden verwacht. "Sinds maart 1989 is er niet meer gejaagd in Saeftinghe", vertelt R. J. Willems van Het Zeeuwse Landschap. "Dat is erg gunstig, het blijkt ook uit het gedrag van de vogels die leven in het gebied. Daarom moet de jacht daar gewoon volledig afgeschaft worden, in het belang van de natuur."

Het Verdronken Land van Saeftinghe is deels eigendom van particulieren en deels van de Dienst der Domeinen. De officiële bevoegdheid om jachtvergunningen af te geven ligt bij deze laatste. Momenteel ligt er nog één aanvraag voor een jachtvergunning voor de Saeftinghe te wachten bij de dienst. Willems vermoedt dat de vergunning voorlopig niet wordt verstrekt. "In ieder geval zullen ze wel wachten tot er meer bekend is over het eventuele jachtverbod dat is aangevraagd. Tot die tijd denk ik dat er weinig zal gebeuren." Door het uitblijven van jacht in het gebied sinds vorig jaar april is het gedrag van met name eenden en ganzen wezenlijk anders dan voorgaande jaren. De dieren kunnen dicht worden benaderd en als ze opvliegen volgen er geen waarschuwingssignalen. Ook bleek na onderzoek en observatie door een aantal gidsen en vogeltellers, dat de vaste plaatsen van groepen rustende en foeragerende ganzen aanzienlijk meer over het gebied zijn verspreid. Met name het gebied ten noorden van Emmahaven lijkt tot aan de Westerschelde volledig in gebruik te zijn genomen.

Polders

In de voorgaande jaren, waarin wel gejaagd werd in de Saeftinghe, trokken de ganzen vaak met grote groepen de achterliggende polders in en deden zich tegoed aan de wintertarwe op de landbouwgronden daar. Op die manier was de jacht niet alleen schadelijk voor de Saeftinghe en de vogels, maar ook voor de landbouw. "Iedereen is dus gebaat bij een jachtverbod", verklaart Willems. Deze mening wordt gedeeld door gids/vogelteller Richard Bleijenberg. "Jacht is onnodig in de Saeftinghe", vertelt hij. "Incidenteel hebben we nog wel eens te maken met stropers. Niet in grote mate, maar het komt wel voor. Dat houdt niet alleen in dat er vogels gedood worden, maar ook dat er lood in het milieu komt. Als er iets schadelijk is, dan is het dat wel!" De slogan van Bleijenberg luidt niet voor niets 'Saeftinghe beheren zonder geweren'. "Dat grove geschut is nergens goed voor. De natuur doet zelf haar werk wel, daar moeten wij niet tussen komen met geweren en al die onzin. We moeten gewoon zorgen dat het gebied een goede basis is voor trekvogels en overwinteraars. We moeten de natuur de helpende hand toesteken, niet - letterlijk - verknallen!"

Saeftinghe beheren zonder geweren. Dat is de slogan van gids Richard Bleijenberg"We moeten de natuur niet letterlijk verknallen", zegt hij. Foto GPD

Meer oeverophoging vastgesteld

Schaapsherder Jan Boom van het Verdronken Land van Saeftinghe en gids Richard Bleijenberg, die op de bewuste springtijdag van 27 februari ’90 in het reservaat meemaakten, stelden vast: dat Saeftinghe niet langer de grote waterbergplaats van de Schelde is bij hoogtij; dat er oeverophogingen van 10 à 20 cm met aangespoeld zand werden vastgesteld; dat de trechtervorm van de Schelde de stuwing in de Opperschelde steeds vergroot. "Gelukkig kwam de stormwind uit het Westen, wat zouden de gevolgen zijn geweest als de wind uit het noordwesten kwam voor het achterland", zo zegt Richard Bleijenberg. "Nu was het alleen Rupelmonde, maar ook dichter bij ons over de Belgische grens, waar dijken nog op + 8,5 m liggen, zoals in Doel, was de ramp niet te overzien". Ook door de jaarlijkse baggerwerken wordt de trechter van de Schelde steeds smaller. De baggerspecie die uit de vaargeul komt, komt in de vloedscharen en ook zelfs in het Verdronken Land van Saeftinghe terecht. Richard Bleijenberg werd op 26 februari rond 19 uur opgebeld door Jan Boom. Deze woont in de Emmapolder (Grauw) onder de Zeedijk waar ook de schaapsstallen staan. De dakpannen vlogen er rond en de golfplaten van de nieuwe schaapstal trilden gevaarlijk onder het stormgeweld. Bij nazicht van het getijdenboek werd een springtij vastgesteld van + 5,84 m, wat in feite 1 meter hoger is dan normaal. Door de zware westenstormen kan het gevaarlijk worden in het Verdronken Land redeneerden ze toe. Om het ons duidelijk te maken gaf Richard Bleijenberg eerst nog wat informatie over waterpeilen in Nederland en België. In Nederland gebruiken we het Nieuw-Amsterdamspeil (of NAP). Dit peil ligt 2,44 m hoger dan het Belgisch peil. In Antwerpen aan de Zandvlietsluis gebruiken ze als peilschaal het Gemiddeld-Laag-Laag-Water-Spring of GLLWS. De rivierloodsen gebruiken de Belgische voetschaal en men kan ook aflezen van de vele lichtbakens die in de Schelde liggen tot in Vlissingen.

Rijksdam

Op 27 februari, vanaf 14 uur, trokken Jan Boom en Richard Bleijenberg over de Rijksdam het Verdronken Land in. Eén van de grote geulen, beter gekend als de IJskelder, was toen reeds aan het vollopen. "Achteraf hebben we gerealiseerd dat we toen teveel risico’s hebben genomen, want we konden door de stormwind van de Rijksdijk hebben gewaaid", weet Richard Bleijenberg nog. Er zat toen een windkracht van meer dan 120 km per uur. De vogels zochten veilig een onderkomen in de omringende polders. Uit onze waarneming konden we ook zien dat het Speelmansgat reeds blank stond en dat het veranderde in een kolkende watermassa. De heuvel op de Graauwse Plaat bleef op dat moment nog iets bovensteken, met daarop het hutje van schaapherder Jan Boom. Om 16.30 uur stond de hut ruim 1 meter in het water en we zagen toen ook met onze verrekijker dat de Noordschaapskooi en ook de Zuidkooi in het water stonden. Het hoogste tij werd door ons toen rond 16.45 uur vastgesteld en van dan af stonden er heel wat nieuwsgierigen op de Zeedijk aan de Emmapolder. De vroegere schaapsherder Ward Verbist vond dat er ook méér water in het Verdronken Land was gekomen dan in ’53. Dat zag hij aan de hoge waterstand van het plateau (de verzande Emmahaven). "Zonder de Deltawerken en de versteviging van de dijken zou het een ramp geworden zijn voor de Emmapolder", zo zegde Verbist.

Selenapolder

De Selenapolder ligt tussen de Hedwigepolder (werd in ’89 voorzien van Delta) en het Verdronken Land van Saeftinghe. Op twee plaatsen heeft evenwel de dijk het begeven. Zondag l.l. trok Richard Bleijenberg samen met Jean Maebe (oudste gidswaarnemer sinds 1945) doorheen het Verdronken Land en gingen ook in de Selenapolder  een kijkje nemen. "Onvoorstelbaar welke verwoesting de storm heeft teweeggebracht", zei Richard Bleijenberg. "Honderden verdronken ratten en hazen. Verder gekwetste vogels en duizenden tonnen veek (afgeknakt riet en planten) liggen er tegen de grasdijk en in de Selenapolder". Voor de pachtende boer van de Selenapolder een ramp, maar ook voor de vogels die de ramp overleefden, blijkt de Selenapolder hun nieuw toevluchtsoord te zijn. We telden er ruim 20 grutto’s, 15 kemphanen, 150 pijlstaarten en opvallend veel bergeenden.Het lijkt wel dat de natuur zelf het Verdronken Land heeft gezuiverd. Naast de tonnen veek liggen er ook honderden kilo’s plastiek wegwerpverpakking allerhande. We ontdekten nog een plastic lokeend, vermoedelijk gebruikt voor de jacht van ’89. Maar toch stonden we even bij stil bij al die lege monatoetjes, plastiek kopjes pudding enz.. Het veek zal wel verteren maar het plastiek spul blijft. De Zuidschaapskooi, waar we een kijkje gingen nemen heeft zwaar geleden onder de laatste storm. Het zal wellicht nooit meer worden wat ze geweest is. Verder waren de geulen diep uitgeschuurd. De geologische opbouw van het schor is nu duidelijk af te lezen van de steile oevers. Bij de Noordschaapstal was de aanblik even triestig. Vele scheepsluiken en wrakhout waarmee de schaapstal was opgetrokken liggen ver verspreid in het gebied. Wie zal de moed hebben om dit allemaal weer te herstellen. We trokken verder door het Hondengat. "De eens zo diepe geul van vroeger is sterk aan het verzanden" zo zei Richard Bleijenberg. De vele zijgeulen vertonen hoge oeverwallen. Men kon de sporen nog zien, hoe het instromende water deze oevers heeft aangevreten. De verse zandoever hebben we opgemeten. We stellen daar plaatsen vast met de jongste stormvloed 20 tot 30 cm zand is bijgekomen. Opvallend ook weinig zilvermeeuwen. Mogelijk is hun territorium  verstoord door de jongste storm. "Voor ons is het duidelijk", zo zegt Richard, "het had voor het Belgische hinterland nog rampzaliger kunnen zijn. Wat zou er gebeurd zijn met een Zuidwestenwind? Op een dag van de hoogste springtij op 27 februari gierde de storm van den Emma richting Waarde. Anders had er nog meer water doorheen 'de trechter' gegaan. Die worden steeds maar smaller en de stuwing van het water des te groter. Gelukkig hebben de dijken van Doel en verder in het achterland niet begeven", zo besloten Richard Bleijenberg en Jan Boom.

Gids Richard Bleijenberg op verkenning in het gebied om de schade te schatten.

Het begin

Iedereen vindt wel eens wat, ontdekt wel eens iets: een potscherfje in de tuin, een steeltje van een pijp, een oud gebruiksvoorwerp bij het opruimen van opa’s schuurtje. Je vraagt je dan af, wat dat zou kunnen zijn, waarvoor het gediend heeft. De interesse is in ieder geval gewekt. Wil je nu koste wat kost een antwoord hebben op je vragen, dan moet je gaan snuffelen in boeken, navragen bij mensen die het weten kunnen of op bezoek  in een museum. Gaat met je belangstelling ook nog een dosis historisch besef gepaard, dan ben je al gauw net zo ver als de vele amateur-archeologen, die we overal hebben. We zijn dan ook meteen op een gevaarlijk punt. Door hebzucht gedreven kan een amateur schade berokkenen  aan archeologische monumenten. De oprechte amateur zal steeds melding maken van zijn ontdekkingen bij de officiële instanties i.c. de Provinciale Archeoloog. Voor Zeeland is dat de Heer van Heeringen.

De eerste vindplaatsen

Halfweg de jaren 60 werden een aantal terreinen bouwrijp gemaakt ten noorden van het ziekenhuis, pal tegen de grens met de gemeente Hontenisse. Die grens is de tegenwoordige Julianalaan, althans was, want bij de gemeentelijke herindeling is Hulst aan de noordzijde danig uitgebreid. Kunt u zich dat nu nog voorstellen, dat wat nu plan Noord I en II is en plan Hooghuis toen slechts akkerland, weiland en een enkele boomgaard was? Geen Dullaert, geen Nobelhorst, geen Blaauwe Hoeve. Op die terreinen bevonden zich bij een inspectie oortjes, voetjes, wandfragmentjes van potten, pijpensteeltjes, een paar pijpenkoppen. Ja, wat een wonder, lang geleden lagen daar volkstuintjes, die buurt werd door de Hulstenaren ‘De Platluis’ genoemd. Die scherfjes waren met de mest en de beertonnen uit de stad meegekomen. Een ander lekker plekje vormde de grond, die vrijkwam bij de uitgraving van De Hema.Die grond werd gestort aan De Tragel. In die grond, zo slim waren we ondertussen geworden, bevonden zich veel oudere scherven dan de pijpenkoppen en wat dies meer zij. U weet wel; onderzoeken en vragen.

Betekenis voor de Historie van de streek

Stel je voor, dat je zou kunnen uitvlooien, dat er ooit een Hulster pottenbakker aan het werk was geweest.  En jawel, voorlopig kon dat alleen maar blijken uit de archieven; van begin   15e eeuw is er bewaard gebleven in het archief van het stadhuis een keure voor de Potmaeckers, hetgeen betekende, dat ze een gilde vormden met bepalingen om hun bedrijvigheid te reglementeren. Er moeten er dus meerder geweest zijn, die met het stadsbestuur en met elkaar afspraken wanneer de vuren gestookt werden, wanneer er potten verkocht mochten worden op de markt, hoeveel een bepaalde pot mocht kosten, hoeveel een potmakersleerling mocht verdienen enz. Later zouden we aan de hand van honderdduizenden scherven, gevonden nabij het Godsplein (afgekeurde waar, breukwaar, misbakken), de bewijzen in handen hebben. In de kasten van het Museum staan 2 prachtige exemplaren van misbaksels: een platte schaal op voet en een gescheurde grape (kookpot). Waren er nu typische kenmerken voor Hulster waar? Nauwelijks, want verdere studie leerde, dat soort en vorm van potten vrijwel door heel de Lage Landen uniform waren. Hoe is dat te verklaren? Niet zo moeilijk. De potmakersleerlingen en gezellen waren namelijk helemaal niet zo honkvast. Die trokken van Aardenburg naar Hulst en vandaar naar Bergen op Zoom. Ze belandden dan eventueel in Leiden, Gouda of delft, huwden de weduwe of de dochter van hun baas en waren gesetteld. Natuurlijk zijn onze voorbeelden fictie. Slootmans en Weijs uit Bergen op Zoom halen in hun boeken over potmakerijen talrijke namen uit de archieven waar het gesuggereerde echt is. Nog een ander aspect. Bij de vele vondsten bevindt zich ook altijd tamelijk wat uitheemse waar. Voor Laatmiddeleeuwse sites (vindplaatsen), dus bv. uit de 14e of 15e eeuw, zal men er op kunnen rekenen, dat Keulse waar tevoorschijn komt. Dat zijn niet de Keulse potten, die we van onze grootmoeder kennen, juist niet, maar potjes en kruiken van grijs tot bruine kleur en zeer hard gebakken, zgn. Steinzeug (steengoed). Bij vondsten uit de 17e eeuw bv. bevindt zich altijd Chinees porselein. Ook weer een misleidende naam, want nogal wat porselein kwam eventueel uit Japan of via Japan naar ons land met de vrachtvaarders van de VOC. Kortom, het blijkt, dat onze voorouders behoorlijk ondernemend waren, ze reisden overal naar toe en deden handel al was het met de duivel. Bovendien moeten we vaststellen, dat Hulst met deze waar gemakkelijk te bereiken was. Hoe dan? Over land met kar of wagen? Dat botste en bonkte, de pottekes en pannekes zouden kapot zijn voor ze aankwamen. Over zee was Hulst gemakkelijker te bereiken: Hellegat, Saeftinger Gat, Haven van Hulst.

Het plaatsen in die tijd, vergelijkend onderzoek

Hoe oud is dat nou? Veel gestelde vraag. Antwoord pas te geven, zo is onze ervaring, na heel wat jaren van onderzoek, studie in boeken en navorsen in musea, die zich bezighouden met archeologie of op zijn minst archeologische afdeling hebben. Van die boeken zijn er in de laatste 20 jaar nogal wat verschenen. Voorheen was er een standaardwerk van ene Renaud, deels onnauwkeurig en veel te beknopt. De stadskernonderzoeken (Rotterdam, Amsterdam, Dordrecht, Londen, Bremen) hebben de kennis omtrent wat wij in ons museum hebben danig uitgebreid t.w. de Late Middeleeuwen en de Gouden Eeuw. Gelukkig is de belangstelling, door juist die stadskernonderzoeken voor genoemde jongere geschiedenis danig toegenomen. Het plaatsen in de tijd doe je dus aan de hand van een aantal kenmerken, die verband houden met de vorm, kleur van glazuur en hoeveelheid glazuur, handgemaakt of op de draaischijf, soort van oren en voeten en in het algemeen de afwerking oftewel het vakmanschap van de zich in de loop der eeuwen evoluerende pottenmaker. Je zult dus naar Aardenburg, Middelburg, Goes, Antwerpen en andere steden moeten waar archeologische afdelingen in de musea zijn. En tenslotte is er de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek of het Bacteriologisch-Archeologisch Instituut, die je verder van dienst kunnen zijn.

De stadssanering, meerdere vindplaatsen

Tijdens de sloop van het Oude Ziekenhuis en aangrenzende buurten, alsmede de renovatie van Oud-Antwerpen, thans heten die stadsdelen Gildenkwartier en ’s Gravenhofplein, was er allicht een unieke kans om bij ons aan stadskernonderzoek te doen. Dat ging natuurlijk met beperkte middelen en in de vrije tijd. Het stadsbestuur liet de toen uit één persoon bestaande Archeologische Werkgroep rustig zijn gang gaan, tipte hem zelfs als er weer wat te doen stond; ook de uitvoerder van de slopersfirma werkte mee en zodoende konden er nogal wat vierkante meters terrein worden afgezocht. Je hebt voor onderzoek immers de medewerking van de eigenaar van het terrein nodig. En het zat af en toe mee. Een groot aantal voorwerpen kon uit de vele scherven en brokstukken worden gereconstrueerd. U moet nl. begrijpen dat men zelden iets van wat eertijds weggegooid was in ongeschonden staat terugvindt. Wij gooien tegenwoordig onze keukeninventaris ook niet zomaar weg. Met zeer veel geluk vindt men wel eens een groot aantal zaken bijeen, die in een keer zijn weggekieperd. We noemen dat een gesloten vondst en de diverse gebruiksvoorwerpen stammen dientengevolge uit dezelfde tijd. In het museum zijn een aantal van die gesloten vondsten in één vitrine bijeengebracht: Minderbroederklooster (2x), Godsplein, Walmolenstraat, Korte Bellingstraat. Overigens moeten we ons haasten om de indruk te wekken, dat het altijd om potjes en pannetjes gaat. Nee, van minstens zo groot belang zijn zaken als: benen schaatsen, knopen, loden gewichtjes, kogels, botten van dieren, zaden, schelpen, stukjes leer of stof. Ook glas en pitten vertellen hun verhaal.

De Archeologische Werkgroep

Nu al weer jaren opereert onder de vlag van de Oudheidkundige kring een Archeologische Werkgroep waarvan het draagvlak veel groter is dan voorheen en die de aandacht voor archeologische monumenten gespreid houdt. De oostelijke helft heeft de speciale aandacht van E. Bogaert, W. Ivens, R. Bleijenberg en J. Steijns. De westelijke helft van ons gebied is aanbevolen in de aandacht van A. De Kraker en J. de Klerk. De Kraker en Bogaert zijn de respectieve correspondenten van het ROB.

De eigen registratie en de verwerking op fiches

Om te kunnen onthouden waar, wanneer en welk voorwerp is gevonden, resp. aan de tentoonstelling in het Museum is toegevoegd, gebruiken de werkgroepleden één of andere code. Laten we zeggen A 004 GH = vindplaats A, nummer 4 Gentse straat Hema. Daar hoort dan een geschreven vondstverslag bij. Het Museum registreert ingebrachte zaken, dus ook archeologische, op weer een andere manier. De Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek verwerkt alle gegevens op fiches die in de computer worden gevoerd.

De opstelling in de kelder

Zoals gezegd is geprobeerd de vondsten, die bijeen horen bijeen te houden. Vandaar, dat er nogal wat kasten zijn, waarin de voorwerpen uit dezelfde tijd stammen. Onderling kan er dan heel wat tijdsverschil zijn bv. 15e of 17e eeuw. In de kasten wordt meestal een aanwijzing gegeven over de ouderdom; ook over de vindplaats en natuurlijk wat het voorwerp is en waarvoor het werd gebruikt. De vondsten uit Hulst overwegen, er zijn echter ook nogal wat voorwerpen, die uit de slikken van de Schelde stammen. Een aantal polders in ons gebied zijn voor 1530 verdronken (Saeftinghe even buiten beschouwing latend), we weten dus zeker, dat de archeologica uit die gebieden op zijn minst vroeg 16e eeuws zijn. Telkens staat aangeduid waar vandaan de voorwerpen komen; Ossenisse, Oud-Hontenisse, Rilland Bath, Saeftinghe. Zo is er voor de Hulster gesloten vondsten een aanduiding in rood op een stadsplattegrondje. En, het zij nogmaals gezegd, het zijn niet allemaal potjes en pannetjes, die tentoongesteld worden. We hebben een unieke collectie glissen, nergens in Nederland zoveel en zulke grote. Er liggen Middeleeuwse straatkeien, dakpannen, tegels, schoorsteenversieringen, resten van het Minderbroederklooster, de vuursteenknollen waarmee leeg uitvarende scheepjes werden geballast.

Enige benamingen

Om uw deskundigheid op te voeren een paar namen, u krijgt aan de balie soms vragen daarover. 

Grape (niet op zijn engels uitspreken) = een kookpot op pootjes.

Stolp = omgekeerde, versierde pot om over het vuur te zetten.

Blaker = vetpotje voor verlichting.

Staartpan = pannetje met steel.

Kasserolle (kastrol) = platte braadpan met handvat.

Albarello = zalfpotje.

Testje = rond of vierkant bakje met één oor.

Lollepot = bakje met hengsel om vuur in te doen.

Delfts = broos wit aardewerk met blauwe versiering.

Porselein = hard gebakken, enigszins doorschijnend, dunner dan Delfts.

Tijdens de cursus zullen we u een aantal voorwerpen laten zien, in het echt en op dia, zodat u een beetje deskundiger wordt. We zullen tevens een poging doen van een paar voorwerpen de ouderdom te bepalen. Graag tot ziens dan en alvast vruchtbare arbeid.

Pagina 2 van 2

Zoeken

Het Weer

Cloudy

23°C

Paal, Nederland

Cloudy

Humidity: 46%

Wind: 11.27 km/h

  • 20 Jul 2018

    Cloudy 25°C 12°C

  • 21 Jul 2018

    Partly Cloudy 25°C 15°C

Ga naar boven